CORSEN, Charles
|
zal je weer bij me zijn, morgen als de papaya ritselig zingt, morgen, als paarse hanen de zon toekraaien, morgen, als ik er niet meer ben? Morgen! wat al niet ligt er in één woord verscholen, wat nauwe straten, waarin wij moeten dolen, wat een jammeren van te voren! Morgen! Morgen zal je weer bij me zijn, morgen, als ik er niet meer ben? |
|
Dan
Als vannacht
eergisteren wordt;
en de klacht
van de oude grammofoon
uit hoon
voor voorbije blijdschap
krassend zingt...
de stap van tijd verft
alles zwart
en kerft
wrede wonden op het venster.
Vang aan
Vang aan
met vlag en vuist
de schorre melodie
van trage kinderjaren!
Vang aan
met tranend oog
het wenen en het beuken
waarop wij moeten varen!
Vang aan
o, God, vang toch aan
en laat me dan bedaren!
Marigot
Op mijn rug
staar ik door haar vingers
de hemel in
‘de roos is vlug...
de roos is vlug...’
haar lied is vlug vergaan!
O, lied dat vlug
vergaat:
Wie zoent haar purperen hals?
Wie mag nu zingen ronk en
vals
dat de roos is vlug
vergaan?
O, bloem die vlug
vergaat,
hemel zonder God,
hart,
je hebt de spot
van lachende vlinders
van onder de stenen zien komen
laat de zonden aan mij over
geef de hemel aan de
vromen -
geef me bloemen
geef me zingen -
geef me heimwee
geef me haar.