VERLAINE, Paul
|
Luit dans les bois ; De chaque branche Part une voix Sous la ramée ...
Profond miroir, La silhouette Du saule noir Où le vent pleure ...
Apaisement Semble descendre Du firmament Que l'astre irise ...
|
en glanst door ‘t hout; vanuit elke rank klinkt een stem boud onder ‘t gebladerte.
- een diepe spiegel - en weerkaatst de schaduw van de zwarte treurwilg waar de wind door schuurt.
lijkt een tere rust neer te dalen uit een heelal gekust door ‘t sterrenvuur.
|
|
|
zijn twee gestalten voorbijgedreven.
hun woorden amper hoorbaar, bleek.
riepen twee schimmen uit het verleden:
-- Waarom zou ik dat nog moeten weten?
zie je mijn ziel in je dromen weer?-- Neen.
toen onze monden elkaar vonden. -- 't Had gekund.
-- De hoop is verslagen in de zwarthemel gevlucht.
alleen de nacht heeft hun woord gehoord.
|