HARMSEN VAN BEEK, Fritzi
Met verlof: achter het front
…..
Later:
natuurlijk besef ik wel dat ik mij nu àchter de
linies bevind. Waarschijnlijk met ziekteverlof. Ik
baad inderdaad in weelde. De kameraden knappen
hier of ginder het vuile werk nog op. Wie zou
de vijand zijn? Met z'n hoevelen? De kranten
vertrouw ik niet. Ik wil hier enkel nog maar
slapen, indien het maar kon, of anders drinken,
roken en nooit meer eten, behalve wat vers voer
uit zee. Lopen langs water, zo mogelijk met hond.
Wanneer komt er een einde aan dit verlof! Toch eens
kijken: de tijd van de klaproosjes omheen de
latrines is dan zeker wel voorbij, een nieuw
offensief, geluidloos bereidt zich voor om nader-
hand ons in te spinnen, vele koppen sterk. Doden
ligt me niet zo. Misschien kan ik die tegenstanders
buitenzetten, maar in volle galop zullen ze wéér-
keren en zwijgend wevend ons omsingelen. Der Weg
zurück, die mijne dan, zie ik ook niet meer, het
Westen ben ik alhaast vergeten, hoewel het nog
wel schijnt te bestaan, over berichten heb ik niet
te klagen, de verbindingen zijn uitstekend, voor-
al, die postduiven doen hun best, alleen, er is
weinig nieuws. De militaire arts hier zegt dat we
maar weer eens wat paard moeten gaan rijden. Wéér?
Bij God, wat is het lang geleden dat ik hemelhoog
vanwege eigen kleinte, op zo'n schepsel zitten mocht,
makke rondjes draaien in een buitenmanege, weer of
geen weer, omdat een paard z'n dagelijkse beweging
hebben moet, het heette Semper Avanti, dat weet ik
nog goed, het zal nu wel gesneuveld zijn.
Humorloos gedicht
Waar winter schaduw aanblaast op het lijf
verstijft de ademtocht tot kleine rook,
van wellust geel, de appels van het oog,
na-oogst van brakke hoop, beslaan met rijp.
O minnaars, door dit najaar ondermijnd
zijn wel geschraagd door zwart, waarachtig hout
maar staan als stammen, van hun kroon ontzet
met smalle handjes, spin- en bladernaakt
en loven, liefkozen en spelen wel en
wentelen en strelen, eindeloos verstekt
het tedere instinct, dat, winters al verpopt
verstopt, hergeven paradijs verbeidt:
maar ai, dat appeltje, getroond maar ongeplukt,
geluk? behouden aan de hoogste twijg, ge-
neigd tot eerste windvlaag het verrukt,
naar willekeur der zinnen, tot vergetelheid?
Goede morgen? Hemelse mevrouw Ping
Goede morgen? Hemelse mevrouw Ping
Is U de zachte nacht bevallen, hebben de on
deugende, geheimzinnige planten naar behoren
gegeurd en zijn hopelijk geen van uw overige
zuigelingen aan de builenpest bezweken?
Hebt u de interessant nerveuze godvruchtige
vogeltjes, vrome goedertierende mevrouw, al wel
bekeken, druk telefonerend van: hallo met piet,
kom je op mijn tak – de sierlijke levendige
vogels, allemaal allemaal voor de brave poes,
die veel beproefde droevige moeder. Ja verdomd,
deze ziekte, lieve beklagenswaardige mevrouw,
is een wrede rakker en zoveel is wel duidelijk:
er valt niet tegen op te baren, waar zelfs het
begrafeniswezen, die intieme huisgenoot, die
zeer bekende schenker ook van lauwe melk,
op zijn verlengde achterpoten het ter
aarde bestellen welhaast niet meer bij kan
benen, nietwaar, dame Ping, radarbesnorde,
dubbelgepuntmutste, mevrouwogige poezin?
Het is nu beter te zitten zonder weemoed in
de rauwe geurige ochtendlucht, nu de zon nog
teder is en de gordijnen levendig in de goede
vrolijke wind. O halmstaartige voortreffelijke,
kijk, zwijgzame zwakzinnige allerliefste,
er loopt een belangwekkend, héél klein maar
bijzonder lekker beestje tussen de kiezelstenen
onder de hemelsblauwe hortensia.
(Aan mijn neerslachtige poes, ter vertroosting
bij het overlijden van zijn gebroed)
Geachte Muizenpoot,
Hoe gaat het met U, met mij goed. Wel is alles heel
vervelend, als ik voorover lig gebed in mijn gedachten
aan U en ben ik ook heel eenzaam. En onderga de lente
als een flauwte. Dit is mij nu zo vaak al overkomen dat
ik er de klad van in mijn wezen heb en dat tussen het
afgerukte vlees der hyacinten de verplegers van die
bloemen knielen voor vreemdelingen. (Dit heb ik zelf gezien
vanuit de trein naar Haarlem.) Zoiets zondigs en krank-
zinnigs U te schrijven, maar omdat lente en liefde een
aberratie is – en niet omgekeerd – opdat U daar niet in
zal trappen, in een vreemd land en zo eenzaam te dwalen.
(Bepalend voor het lot van zwervelingen enkel herkomst.)
Nu met mijn hart gaat het wel beter, maar de tuin is
verwoest mijn lam, verwoest. En sta ik radeloos onder
onzuiver groen in dit en komende seizoenen: mijn hoofd
en hatens toe, mijn hout tot bladeren bedorven en
schrijven wij pas mei. Dat hebt U er nu van, mij
’s winters te beminnen en ’s zomers te dwingen onder
raar lover humorloos en onchinees te wezen, mij, lief
hebbend evenwichtig als een oude man, genegenheid bed-
weterig doen zien ontaarden in het teer, vraatzuchtig
zeuren der libelle-achtige dames, want ik weet mijn plek.
Een teer punt. Een voordeel zo te zien, maar wezenlijker
reden om over in te zitten dan de onbenulligheden die
van onderhonden het gedachtenleven leidt tot in priëlen
van zelfbeklag: zulk lijden slecht gemotiveerd maar zinvol,
want wie, wie vreet mijn spijt? Neem dan de bomen maar, die
bloeiend blind tot vaderloos afvallige vruchten, bederf en
winterkou: en nooit een klacht! Want tot verstommens toe is
liefde hun te moede. Te moede is. Liefde mij te moede, is
liefde mij … etc.
(handtekening onleesbaar)
Interpretatie van het uitzicht
Verschillende bomen in deze verdoemde tuin
stellen godzijdank nog perk en paal aan
een oude man die daar gedurig loopt, zonder
hoed, zwart als een krent in grauw gebak van
licht en landschap, ja een man van ziekte. Zwak
maar taai en onbeschoft. Hij draait, de afgeleefde
kreeft, in kringen om mijn vijvers, der seizoenen dolle
dolle naald deert hem, verstokter, blijkbaar niet.
En de verlegen bleke regen al weggebleven is, de doorluchtige
wind, voortvluchtig, in het geheime hout ontweken.
En heerst verwildering alom en willekeur haakt
bladerloos aan de ontdane hagen waarlangs aarzelend
zijn zachte schunnige verwoesting vaart. En niemand kan
hem keren waar hij zeverend door mijn bezeerde heesters breekt
en bevend speeksel kwijlt langs mijn beleefde kleine twijgen.
Van de vlugge lustige vogels geen hulp meer te verwachten is nu
de heilige reiger zelfs al ochtendlijk is uitgeweken achter de
geschonden horizon. Het is te hopen dat de mooie rode autobus
die alle oude mensen later af komt halen, hem nu spoedig
over rijdt naar ongenadiger terreinen, naar jachtvelden van
eeuwig asfalt, waarin overal verchroomde bakken voor zijn
rochels en de uitgekauwde stompen van zijn stinkende sigaren.
Want al mijn vijvers liggen dicht, mijn paadjes raken
zeer vertrapt, de schuwe schepselen hebben mijn struikgewas
verlaten, mijn heerlijkheid ligt braak. O keer, keer
welluidende wind, verliefde regen weer tot aan mijn
haveloze heuvelen.