WEEMOEDT, Lévi



Zwart bloed


Ach Zuster! Geef mij and’re bloedlichamen:

vrolijke baasjes met een opgewekt gemoed,

meer van die danstypes uit Viva en reclame;

de mijne zijn zo droef en zwart als roet.

Nooit lachen ze, ’t zijn dooie sodemieters,

galbakken, kankeraars, ja niks is goed

voor het gezelschap. Zo heb ‘k liters

vol van dat neerslachtige gebroed.

Op bruiloften, op feestjes en partijen,

waar ied’reen lustig is en opgeruimd van hart,

zit ìk maar eenzaam aan mijn tafeltje te schreien,

terwijl er net een vrolijk walsje wordt gestart!

Dan wil ik óók wel met zo’n blozend bruidje vrijen,

maar ik loop snikkend polonaise op mijn smart..!


Vlaardingsroem


Geen haringbuis, geen kotter en geen botter

geen logger en geen stoomfiets, ach! geen fluit

zag ik vanavond op de stroom.


'k Zat aan de Doodsrivier. Slechts een condoom

dreef goedgemutst het zeegat uit.


De hond ligt zachtjes snikkend in zijn mand


De hond ligt zachtjes snikkend in zijn mand;

droef peinst zijn baasje bij een glas genever.

Er hangen duizend boeken aan de wand:

't Geluk was hier bepaald geen gulle gever.


Op straat waaien geluiden van een feest:

een schrille lach; er valt een glas aan scherven.

Maar binnen zingt het wenen van het beest

en zit zijn baas al uren te versterven.


Ik wed nu dat geen sterveling ooit raadt

wie nu die twee zo bitter treuren laat.

Maar stuur toch in: wat aanspraak doet ons goed.

Wij zien uw brief vol wanhoop tegemoet.



Weemoedts internationale


't Liefst trok ik helpend door de hele maatschappij:

gaf 't jonge leven voor het welzijn in fabrieken,

verlichtte hier wat leed en maakte dáár wat vrij.

Bracht zo een kwinkslag aan de ongeneeslijk zieken.


Ik sloeg mijn tenten op vóór Wilton-Feyenoord,

Vermaakte 't werkvolk met wat leuke imitaties

en gekke stemmetjes of schalkse declamaties.

En stond met druivensuiker 's avonds aan de poort.


Maar wáár ik kom slaan hele klassen op de vlucht:

een werf stroomt leeg, een drukke helling wordt verlaten.


Dan keer ik bitter weer, langs onverlichte straten

en slinger troosteloos mijn feestneus door de lucht.


Tips voor Alleenstaanden


2. Isolement

Hang om uw nek een houten bord

met daarop duidelijk en kort

uw eigen naam, dus: 'Ik heet Fred,

ik woon al acht jaar in uw flat!'

Zó zorgt u dat u vrienden wint

want onbekend maakt onbemind.

Groet steeds voorkomend, zing een lied:

het leven is zo eenzaam niet.

Denk toch eens meer aan hen die varen

of bung'len aan een straatlantaren.


3. Aankoopcomfort:

Koop ook een antwoordapparaat

waarop uw stem met 'Welkom!' staat.

Loop dan naar buiten en draai snel

uw eigen nummer in een cel.

Vraag of 't bezoek gelegen komt,

en u hoort 'Welkom!' uit uw mond.

Koop een bos bloemen, zing een lied:

het leven is zo eenzaam niet

als je maar denkt aan hen die varen

of bung'len aan een straatlantaren.



De man op de toren


Als ’t donker wordt en spots zijn rust verstoren

met lichtbakken van honderdduizend watt,

staat plots een somb’re schaduw op de toren.

Een zwarte man die uitstaart op de stad.


O! ’t Is de Torenkjjker, die in het verleden

daar jaar aan jaar op de uitkijk heeft gestaan

tot hij op zekere dag, van zee, beneden,

een schip zag naderen. Een schip dat was vergaan.

Hij daalde af. Stralend. Niet moeilijk was ’t te lezen
wat hij gezien had. Zijn tijding bracht groot feest.
Het hele stadje dankte het Opperwezen.
’t Was in de kerk lang niet zo vol geweest.

Het schip bleef uit, alleen. Het kwam niet in de haven.
En aan de kust spoelden twee lijken aan.
De rest van de bemanning bleef begraven
in stille waat’ren van de Eeuwige Oceaan.


Maar ’t stadje kolkte! Krijsende bendes trokken
de straatjes door. De toren werd belaagd.
En door een haag van klompen en van stokken
werd de Torenkijker uit de stad gejaagd.

Doch hij kwam terug. En als de mensen slapen
sluipt hij de toren in. En dan gaat hij weer staan

en spiedt over de blinde, zwarte daken

en ziet het schip naderen. Het schip dat was vergaan.