ZIJLSTRA, Jaap
Gaan en staan
Meet jij het land maar met je grote stappen,
ga jij de heuvels maar te lijf, de trappen,
je sprongen zijn zo lenig en je handen
bewaren met een enkele vleugelslag
je evenwicht in de verschenen dag;
je rept als taal naar je bestemming toe,
je ritme wordt je strekkingen niet moe
totdat je adem stokt, je ziet,
tolt rond, het duizelt je, is dit het
waar je lied, je hemellicht
om draait, is dit je grondgebied -
stap voor stap is er ontsluiting
naar de schreeuw van je gedicht.
Verwachting
Als de dag begint te doven,
als de zon mij niet meer ziet,
als de schemering gaat komen
en ik stil word van verdriet,
als de nacht valt en mijn vogel
niet meer opdaagt met een lied –
na mijn duisternis uw licht
na mijn zwijgen uw gedicht.
4 mei
De oorlog is al jarenlang voorbij.
Men zegt het, maar het is niet waar.
Ik zie ze nog, gebonden aan elkaar
gaan naar hun graf. De duinenrij
ligt in de zon, de wind streelt door hun haar.
Voorover liggen. Het is niet voorbij.
Wachten met het gezicht op de grond.
Roepen tot God met een gesloten mond.
Mijn God, mijn God, ontferm U over mij.
Nog klopt hun bloed tegen het witte zand.
Nog zoekt hun hart de verre overkant.
Ik hoor de schoten. Het is niet voorbij.
Voorjaarslied
De lente maakt de stemmen los
in dorp en stad, in park en bos,
elk vogeltje in Gods natuur
zingt blij zijn eigen partituur.
Langs waterlopen klinkt het lied
van rietzanger en karekiet,
in ’t veld roert zich de leeuwerik,
de kievit roept: vivit, vivit!*
De merel in z’n zwarte pak
fluit een cantate op het dak,
in ’t laaghout voert met fijn geluid
de tjiftjaf zijn muziekje uit.
De geestdrift van de nachtegaal
maakt van de nacht een kathedraal,
zijn lied verleent de duisternis
een glans die van de hemel is.
Nog eer het morgenlicht ontwaakt,
de einder voor ons zichtbaar maakt,
is reeds het vogelkoor op dreef
en zingt de zon over de schreef.
Dat is geloof, al zien we niet,
we zingen in de nacht ons lied,
een glans ligt over het bestaan,
de dag van onze Heer komt aan!
///////////////////////////////////
Men meldt ons dat te Rupelmonde
een Waal het wiel heeft uitgevonden
en daar de man zich houdt verstoken
heeft het bestuur der stad gesproken:
kom nu naar buiten allemaal,
dan zoeken wij de Wielewaal.
////////////////////////////////
Ik breng een rechter aan het licht
Een koning bij de gratie Gods
Hij is geen schreeuwer in de straat
Een riet dat buigt in weer en wind
Is hij een lamp die helder schijnt
Hij is het eerste morgenlicht
De vorst der vorsten is een knecht.
SIDA
Je zit maar stil en wit te kijken,
geen oogopslag die mij begroet,
geen lettergreep die er toe doet;
geen grijns die met de eer gaat strijken.
Wat deed je schaterlach mij goed,
het vrolijk stampen van je voet!
Je zit maar kil en wit te kijken.
Waar is de felheid van je bloed,
je gretigheid, je overmoed,
je kon met lijf en leden prijken
dat het een lust was! O de gloed,
de branding van je woordenvloed –
Je zit maar kil en wit te kijken.