HAECK, Matthias



Wat niet gezegd wordt


Wat je zei vervaagt zodra je je arm

om de slapende kat op het bed legt.

Je wil haar wekken en toch ook niet.


Ik ben jaloers op de matras.

Je schouders zwijgen

maar hun stilte weegt.


Je woorden sluimeren diep in mijn buik

dwalen er zwaar rond

niet van plan om te vertrekken.


Ik wilde dat jij in míjn handen paste,

ik zou het vasthouden onthouden

zoals een boek dat zwaar leunt,

nog voor één woord is gelezen.



Wakker


De dag loopt vast gesmeerd

zoals het brood in de ochtend

en de ketting op de fiets: dubbel dik.


De badkamer is onvoldoende breed

voor het blik grijnzende goesting

dat hij in één ruk opentrekt.


Hij trappelt om te vertrekken

tot de dageraad zich als een loper voor hem uitrolt.

Straks slingert de weg zich vanzelf rond elke heuvel.


De frêle ochtend laat zich aflijnen

door een silhouet,

het is de man die door de dag snijdt


met glimlachgemak,

met het hart van een eindsprinter,

de flair van een lichtgewicht klimmer.


De meet is de zijne.



We hadden bijna


We hadden bijna de bloei van de magnolia’s gemist.


Die met hun tranige praal, flitswekkend maar een weinig droef tegelijk,

de enige bestaansreden intomen van het betonnen geweld.


Volgens een seizoenstraditie komen ze

kortstondig de toestand der dingen noteren.


Met miniaturen van altijd wit en klassiek roze,

kleine onbeschreven post-its, alleen amper zichtbaar

tezamen een patroon, weggestrooid.


Een bad van kleur waarin verschiet, een grillig lentetapijt.

Het weinige van de grote interventies.