SABBE, Julius
Mijn moederspraak
Oorspronkelijke tekst: Klaus Groth (1819-1899)
Mijn moederspraak, mij lief als geen,
diep roert m’uw zoet geluid.
Waar’ ook mijn hart als staal en steen,
gij dreeft de trots eruit!
Gij buigt mijn stijve nek zo licht,
als moeder aan heur hart.
Uw vleien streelt mij ’t aangezicht
en stil is alle smart.
Ik voel mij nog een dartel kind:
geen boze wereld meer!
Gij koost mij als een voorjaarswind:
daar bloeit de vreugde weer!
Mijn oudje zegt mij nog: “Komaan”
en vouwt mijn hand: “Uw beê!”
En: “Onze Vader” vang ik aan,
lijk ik wel vroeger dêe.
Dat voel ik diep, dat wordt verstaan;
zo spreekt ons hartenbloed.
En hemelvrede waait mij aan,
en weer is alles goed!
Mijn moederspraak, zo rein en recht
gij tolk van ’t oude diet!
Als bloot een mond “Mijn vader” zegt,
dat klinkt me als eng’lenlied!
Zo heerlijk streelt me geen gezang.
Zo kweelt geen nachtegaal!
En tranen vloeien langs mijn wang,
gelijk de beek ten daal.
Mijn Brugge
Mijn Brugge, ik heb u lief, als ware ik hier geboren,
En 'k leef betoverd in uw stralend glorielicht!
Gij rijst me, bij 't symbool van uwen Halletoren,
Als 't beeld van krachtig schoon, belichaamd, voor 't gezicht!
Gij zijt de heldenmaagd, die allen kon bekoren,
Die, nog in d'eeuwenslaap, ten schoonheidstroon daar ligt,
Voortlevend in de droom van tijden, lang te voren,
Toen voor dit kleine volk zo menig heeft gezwicht.
Die droom, tot steen gestold, bleef rondom u getuigen,
Dat wereldtrots hier lang uw macht en kunst kwam buigen
En d'oude faam is nog verspreid van oord tot oord!
Men weet dat g'eens ontwaakt in 't bos van doorn en rozen,
En zucht, als m'u, schijndood, nog levenfris ziet blozen:
‘Waar blijft de Toverprins en 't wekkend liefdewoord?’