HUURMAN, Els
Vlinders
Vlinders.
Dartelende vlinders.
Dansend om elkaar heen.
Raken elkaar even aan.
Om weer fladderend verder te gaan.
Is de één te ver weg.
haalt de ander hem weer in.
Hoe fragiel en teer ze ook zijn.
Woorden die een ander niet horen.
Een zang van rustige melodieën en harde klanken.
Worden overwonnen.
Een stilte snijdt.
In de schemer hun vleugels gesloten.
Een heldere nacht.
Een sterrenhemel.
Stilte...
Fietstocht
Het verre postkantoor was de magneet.
Niet om de luchtpostzegels of de taal
Van overzeese stempels – nee, het deed
Op tweehoog ’s middags dienst als jeugdleeszaal.
Tweemaal, op dinsdag en donderdag,
Verdween ik in het ruime trapportaal
En kwam weer buiten met een brede lach.
Ik had mijn voorraad boeken andermaal.
Met in mijn hoofd een eerste regel die
Ik vluchtig had gezien bij een verhaal
Werd, fietsend, al naar het vervolg gegist.
Toch geselde ik vervaarlijk het pedaal
Om sneller thuis te zijn, omdat ik wist:
Het boek is beter dan de fantasie.
De regen huilt
Zachtjes tikt een vlaagje regen
Bescheiden klinkt het klaaggeluid
Waarmee het najaar nog vol
op het geboomte stuit
Dwarrelend en droevig
Hoor! de bladerval
Wat leeg is op de grond
vult zich en voorspelt het al
Wind die me als muziek overspoelt
Wolken jagen ,donker grijs
en zwarte luchten
Kijk ik geboeid
Het ruwste weer
Bij een stortvlaag ga ik schuilen
Onder het loof wat ik nog vind
En luister hoe de wind kan huilen