DENDERMONDE, Max
Liefde
De dingen hebben soms eenzelfde naam:
Een lichte kus, elkaar verwilderd bijten,
Zacht mokken, blindelings met huisraad smijten,
Vreemd, het valt alles onder liefde saam.
Wie liefheeft en daar langzaam aan gewent,
Ontdekt verbijsterd achter maan en rozen
Het kleine tijdperk van twee tomelozen,
Waar men om de beurten tart en temt.
Eerst zacht van zin, later snel uitgestoeid,
Elkander prikkelen, dan ronduit haten,
En ouder wordend: zacht weer, en vermoeid.
Zò gaat het ons, misschien in milder mate…
Twee slingerplanten in één wilde groei,
Die ondanks alles elkaar niet verlaten.
Herfst
Terwijl ik rustte tussen paddestoelen,
zag ik een spin met zilveren gebaar
een herfstweb bouwen over mijn gitaar,
misschien opdat mijn hand geen klank zou voelen
van zomerliedjes, roestend in de snaar.
Dan, in de schemer, kwam een vrome regen
het bos van kleine zomerzonden kuisen
en in de snaren zongen droppen ruisend
een stil adieu over mijn wilde wegen:
weer moest ik naar behang en steen verhuizen.
Mijn moeder zei: Wat staan je ogen diep,
heb je de zomer tot het laatst gedronken?
Ik zweeg, en zag hoe ik eenmaal verzonken
met Carla tussen de korenvelden liep
en hoe papavers om haar voeten vonkten