MIRCK, Hanz


Dertiende stadsgedicht

Ik staar door muren als ruiten naar buiten

Iedereen kan me zien wassen, verkleden, proberen

te slapen. Niets meer voor mezelf, om te geven aan

wie het dichtst bij mag komen


Mijn glas is van glas, door de barst tussen mijn machteloze

vingers lekt mijn leven op de glimmende vloer

Wat ik eet korrelt in mijn keel,

wat ik drink snijdt door mijn lijf


Hard en breekbaar als ik ben,

de vingerafdrukken op mijn oppervlak;

alles breekt op mij, zelfs de kleuren, zelfs het licht


Niemand zo leeg, zo zuiver

zo gloeiend gegoten, zo gestold

als een traan van glas, prins…



Het gebruik van de webcam


Eerst is het koud en komt er niemand meer

Het regent en de nacht valt. En het wordt dag

maar niemand komt. Je honger is verdwenen, ook

de verdwenen honger, alleen de nacht, die komt altijd


Je vleugels flapperen – niet om te vliegen want zover

zijn je gedachten nog nooit geweest – maar omdat de nacht

zoveel groter is, de regen die je al niet meer hoort,

de lantaarns langs de verlaten industrieweg


en om je in evenwicht te houden, tot dat stopt

Je snavel omhoog, opent zich nog eenmaal geluidloos

Je valt opzij, op je brede rug, zachte rug die knokig is


Je pootjes trekken zich op, wijzen omhoog

een teken voor wie te laat zal komen

Maar er komt niemand meer



Ooit 2


Wie moet haar nu voorlezen

doen vergeten dat ze niet slapen kan

Wie moet naar haar kijken als ze elders is

bedenken waar ze zich om omdraait


Nu ik mijn angst om haar

te verliezen ben verloren

Nu ik haar niet meer in mijn dromen

hoef te zoeken, waar ben je toch?


Ga nu maar slapen; zo alleen

kan iemand je wakker kussen

het glas om je breken

de lucht om je in beweging brengen


Cruisin’ with the low riders


Koop nooit een auto in Apeldoorn
was het eerste wat ze me zeiden
toen ik hier kwam wonen, zeker niet
als van een oud dametje geweest, altijd

binnen gestaan, cash aftikken
Een echte auto koop je niet, die verwerf je
om voor één dag koning te zijn,
door de stad te zweven

Dat is waarom deze stad van zeven dorpen
een koninkrijk in het klein is,
een contactsleutel in haar blazoen draagt

En op één dag in het jaar
is het land van de koning
maar de koning is die dag van ons



Geef niet op


Zwijg, anders ga je eruit, steeds dat antwoord

voor Aleksej met de brutaal-verbaasde blik,

die maar niet kon accepteren

dat dingen niet kunnen worden uitgelegd


Basisschool, slager, dienstplicht, rechtenstudie

Je belde de dood op, vroeg waarom hij gefaald had

Je nam het vliegtuig om het strafkamp te zien,

Maakte bij de corrupte rechter slechts een grap


De waarheid beeldde je uit met je handen

terwijl je je vrouw in de ogen keek,

met nog altijd diezelfde jongensblik


En nu je voor altijd bent weggestuurd

blijven je onbeantwoorde vragen leven

in al die kinderen die niet stil kunnen zijn