DE BOM, Emmanuel
Wrakken
…..
Hij was hem reeds vergeten en bleef in haar aanblik verslonden. Hij richtte het lijf half op en verzocht haar met aarzelende stem neer te zitten en hem te vertellen over die zonderlinge man. Terwijl zij sprak, bemerkte hij dat zij mooi was. Fijngetekende wenkbrauwen boogden boven haar zeegrijze ogen, die hem zwaarmoedig en innig toeschenen. Er was aan haar iets bijzonders, in haar manieren iets voornaams, alsof zij in dit wereldje misplaatst was, er niet thuis hoorde. Haar donkerbruine haren boven het hoge blanke voorhoofd droeg zij in grote krullen tot in de hals; maar vooral haar mond had een vreemde bekoorlijkheid; boven de lange fikse kin, golfden haar rode frisse lippen, de bovenlip was lichtjes gekruld, er ademde uit die heerlijke mond een gesluierde wellust, een betovering die de matroos het bloed in het lijf opzweepte. Een diep brandend verlangen doorschrijnde hem, een onuitsprekelijke begeerte om op die mond zijn gulzige lippen te kleven, om in zo 'n kus de hele wereld te vergeten, te vergaan... Welke vreemde verschijning, en wat een leven mocht daar achter schuilen, wat een avontuur van ellende en passie mocht dit leven zijn... Opeens, in een enkel beslissend ogenblik, was het hem door de ziel gebliksemd: deze vrouw had hem in haar macht, zij had maar éen woord te spreken, hij was haar slaaf, haar hond.
…..
O die familie! Richard voelde zich van dag tot dag meer vervreemden. Dat joeg hem weg. Dat liefdeloze leven, hij kon het niet langer uithouden. En waarom toch dat alles! Omdat hij hun burgersgedoe, hun kamerplanten-leven, niet langer kon meeleven? Zij leken hem als geraniums die tegen een gordijn staan te verdorren. Zijn jonge bloed bruiste, zijn drang sleepte hem mede naar bewogene gewesten, nooit geziene dingen, naar onmogelijke dingen! Die omstrengelende goedheid van moeder, die huishoudelijke praatjes, die professionele klachten van zijn zuster, het werd hem eindelijk alles zo knellend, zo duf, zo ingesloten, zoo kleinsteeds. Driften waren wakker geworden, langverpleegde wensen en droombeelden van een vrijer, ongedwongen leven waren losgekomen, hij moest hieruit. En dat alles had hij vroeger slechts vaag vermoed, maar nu hij die vrouw kende... o die vrouw, die van hem ‘een man’ gemaakt had, die hem, de jongen, ontgroend had, hem allerlei nieuwe gezichteinders geopend! En toch... ook bij haar, bij háár ook was hij niet gelukkig. Dáàr was het een àndere kwelling: ook bij haar voelde hij zich onvrij; alles moest zo verborgen, zo gestolen toegaan; hij voelde die vijandschap van al de zijnen en van heel de wereld eerst scherp als hij bij haar was. Neen, dáár ook vond hij geen akkoord met zijn eigen, …
…..