ELBURG, Jan


Liefste, blond lief, als glazen uit te drinken:

maan over water en de gladde schoot

peilloos als maan, je waterval van haren.

Roepen je borsten over naar elkaar

namen voor mij? mijn linkerhand en rechter-?

Baken mij af, rug, baken mijn hellingvlakken

binnen de val der dekenduisternissen.


Gelovig soms

Prijs de dag voor het avond is

voor je gouden verloofde het uitmaakt

voor het donkere deksel het donker maakt

prijs de dag en vertel voor het avond is

hoe het was wat er was dat het goed was

vertel het nog half gelovige oren

prijs de dag prijs de rotzooi

van ronkend blik het lawaai en de schrik

prijs de wind om de lekkende vuilniszak

prijs het licht op de stront de lonk van de lelijke

vrouw en de lik van de hond zonder haar prijs

de lucht van heet asfalt van zweet van patat

prijs een godganselijk godvergeten

goed lullig niet te vervangen leven

voor je leuterend strompelend uitgejoeld afgaat

prijs het

terwijl de nacht nadert

de duim nadrukkelijk je strot nadert


Stadgenoot

Hij is het licht vergeten

en het gras vergeten

en al die kleine levende kevertjes

en de smaak van water en het waaien

hij is de geur vergeten

van het hooi de grijze vacht van schapen

de varens de omgelegde aardkluiten

zijn binnen is geen nest zijn buiten

geen buiten zijn tuin een vaas.

hij is ook

de bliksem vergeten de rauwe

hagel op zijn voorhoofd

hij zegt niet: graan meel brood

hij ziet de vogels niet weggaan

en de sneeuw niet komen

hij zal bang en verongelijkt doodgaan


Willen


Ik neem mijn buik op en wandel,

ik heb mijn ogen open,

ik heb mijn borst als kennisgeving aangeslagen,

ik zou die pijnboomhouten paal in mij

vertikaal willen treffen met licht:

een lang lemmet licht om de dagen te turven.

Ik zou een rood totem willen snijden

waarom mijn hartstocht zich als wingerd slingert,

een beeld voor alledag, waaraan de vingers leven.

Ik heb te nemen.


Ik zou een mens willen maken uit wrok

en afgeslagen splinters: een winterman

met een gezicht van louter ellebogen.

En bomen zouden stampen bij zijn langsgaan

en had hij één minuut te leven,

rood zou hij zijn en rood van kindertranen

en rood.


Ik pak mijzelf als altijd weer tezamen,

ik zie het water aan,

ik neem mijn hongerige maag en wandel,

ik zie een eetsalon voor twintig standen:

wanden zijn er genoeg; hij vloekt

van een doorvoeld gemis aan ramen.


Luister toch wat ik zeggen wou:

in Florida schildert men negers zwart,

in Florida schilt men negers

en Spanje stinkt van het bloed.

Ik wou van mijn lijf een Korea maken,

ik wou mijzelf zijn beneden mijn middenrif,

ik wou een vlag zien kiemen uit een zaadje.

Ik zal het kiemen zien.