HERTMANS, Stefan
Dertig
Ze droomde van een man uit wilde zijde,
een wijze die haar lijf en haar verleden
vlam deed vatten, maar de broze wijsheid
van zijn lichaam liet haar leven
met een hunker naar haar tegenbeeld:
iemand liep over oud parket,
sloot liefdevol de ramen,
deed stil haar kleren uit,
en legde haar zonder gedachten
op haar zij, te slapen voor de
nachten zonder weelde.
Zwarte lente
Een avond, toen het regende,
de deur naar het terras was
open en het laatste licht
raasde in stilte weg,
kwam ik een stem te spreken
die daar buiten kwam, bij de heg,
te schreeuwen stond alsof
het tijd was, tijd voor mij.
Een lief en blind gezicht
riep mij toen toe dat het
zo erg niet was, helemaal
niet zo erg voor mij.
Ik liep een pad op dat
mij niet herkende; en
alle de ontelbare bladeren
van de groene hel waarin ik
ooit gelukkig was, wuifden
mij toe in deze zwarte lente.
Music for a while
Het drinken maakt me doof.
Ik draai de knoppen harder,
ik zet de duivels op een hoger spoor,
omdat alleen bij dieper zwijgen
ik de adem tussen twee
verloren lettergrepen hoor.
Alles gaat luider ruisen met de tijd:
bloed, wervels in de hals, zelfs
adem gaat met meer misbaar gepaard.
Alleen het drinken zelf wordt stiller.
Je drinkt de afgrond van verloren avonden
en ziet de regels op het blad.
Je ziet, steeds meer, verborgen lijnen
op de achtergrond van kleine woordwoestijnen.
Je hebt ascetisch broodkruim in de mond.
Maar je verdorven lichaam is heilige
grond waarin de stilte van verzwegen
gist gaat stijgen tot een dagelijkse
dood de rituelen van het zwijgen volgt.
Drinken maakt nieuwsgierigen bij voorkeur
doof, zij die gespannen luisteren
naar elke kleine gisting aan de binnenkant.
Verwensing van geluk
Je hebt het hart niet
om de stenen te begeren;
maar stenen dauwen
als je loopt.
Het huis heeft licht gedronken.
Wankelend komen stemmen
in de oren, de messen
zwellen scherp op snee.
Plots helt je lichaam iets te ver.
Ik ben dit niet gewend,
dit snikken van je harde
armen, dit warme klauwen
in mijn hals
De bloemen gillen roze.
We slapen ons voorbij.
Gelukstraat, Gent
Het was in een oud schooltje,
en de ramen waren hoog, dat zich
de schaduw van een man tot in de
lichtkring van oud stof voorover boog.
Linden, kinderen in een onverstaanbaar
nieuwe taal, herkenning van een uitzicht
bij het raam; en binnen trekt het pleisterwerk
zijn eigen krijtkring in een oud lokaal.
De schim van lang verloren leven
kan iemand in de armen nemen,
maar niet het waaiend lichtland
in zijn hoofd.
O paradijselijk vergeten op gewone
dagen, zij geloofd. En bij het poortje,
in de wind, staat nog een ander kind -
dat, wat ooit zijn moeder was beloofd.
Stalker
“Heb ik iets van je aan dat je zo staart?
Hij zwijgt en kijkt, grijs in zin baard,
Getekend alsof hij mijn leven kent,
Alsof hij het normaal vindt dat je aan hem went.
‘Ik heb je ooit ontmoet’-
Soms liegt hij mij uit winkelramen tegemoet,
Maar ik heb nooit de moed
Mijn middelvinger op te steken als een groet.
Daar, in de kiosk van de warande,
Stoot ik weer op zijn blik.
Hoe van hem af te raken?
Ooit maak ik hem te schande
En schreeuw het van de daken:
Die man is gek. Hij noemt zich ik.
Huisman
Ik heb weer ruzie met de dingen,
de vormen vallen uit elkaar.
Een scherf gaat in een wonde zingen.
Ik leg de messenslijper bij de schaar.
Ik vijl aan vingernagels en aan tanden,
de ronding van een kruik maakt me al woest.
Ik geef je mooiste ondergoed uit handen,
en waar je bloot bent, zie ik roest.
Let op de duiven in de goten,
let op de slangen in je haar.
Je hebt je lijf voor niets ontsloten,
het niemandsland is nooit vruchtbaar.
Ik vecht voor jou in al die dingen.
Ik zal hun scherven in je lichaam
wringen.
Een beeld van jou
Iets ging liggen in je hoofd
iets als een bries
een verre echo van geboorte
het was een dag van
oud goud en wonden
waaruit weivocht vloeide
als op de eerste dag
de lucht van staal
en het water, waar je lag,
vulde de wereld met
een nieuwe kou.
Je ziet de loper in
zijn zwarte schaduw niet
de ruwe tegels en
het slot dat op je
argeloze vingers wacht
en toch trek je, in
altijd nieuwe eenzaamheid,
het laken van de jaren
op je warme lichaam
en je lacht
Eerste verlies
De regen die plots harder is.
Schaduw in een ondiepe
nis. Dat ze geen evenwicht
kon houden en een ogenblik
bedacht: alles gaat mis.
Het duurt wat langer eer ze adem krijgt,
maar ze denkt sneller en ze zwijgt.
Geluk is wat chemie in de hersens,
het verdwijnt. Ze krijgt behoefte
aan wat rijmt, en veegt dan alles
weer van tafel met een grijns.
De grenzen die haar vroeger felheid gaven
zijn nu nog slechts details
die elke dag iets meer vervagen.
Al wat haar bezig houdt, daar in een
nog onzichtbaar punt, wordt tot iets
onomkeerbaars omgemunt.
Goldberg Variations
Dat we de lichtheid hadden
om handen rond muziek te vouwen –
bedachtzaamheid die uit een fuga straalt
en ons beschermt omdat we iets beschermen.
Er zijn dingen die je niet kunt leren.
Ze volgen ons als trouwe honden,
de zachte enkelbijters van
stemming en humeur.
Daar doen we het niet om,
we weten het, we zwijgen
en de variaties jubelen
de jaren door.
Hoe vaak beseft een mens wat blijvend is,
die fractie van verbeelding?
En toch – een glimp van een klavier
bij avond door een open raam,
een flard van stemmen in de mist,
en alles is weer open.