VAN DEN BERG, Arie
Narrenschip
van nergens naar nergens, de hemel alleen
weet waarheen, maar wie vraagt aan de hemel?
zo rond als de zon staat de mond niet, zo krom
als de koers, zo ontgoocheld het denken
de hemel een zotskap, te groot en te blauw
als de doolhof van golven
de zee geeft niets prijs dan haar slijten,
dan druppels, dus niets: waanzin slijt niet
IJsvogel
dolk op wieken in een jasje van kobalt,
buik oranje…maar de oogwenk ziet
even maar een blauwe vlam
voor hogere jagers zo blauw als het water;
voor wie daaronder huist (de voorn, de bliek)
het grauw oranje van dor blad
totdat de twijg kort neerbuigt, terugveert,
vleugels vinnen blijken en de dolk
zich om de schubben schaart, waarvan
de tak straks glinstert, na de slacht wanneer
het wapen drooggepoetst, de slokop zit en
schokkend kleur geeft aan de winter
/////////////////////////////////////////////
Ik droomde dat ik zelf mijn ogen sloot en met
mijn dode lichaam door een stad liep
het was erg warm en ik was zwaar, en waar
ik zocht en zag, ik vond geen plek
om mij een graf te delven
laat in de middag lokte ons
de parasol van een café, ik heb
mijn lijf daar neergezet en dronk
een straffe borrel mee
en ging.
De kapper spreekt tegen zijn spiegel
er komt wel weer een tijd, meneer
van cichorei, van kale jonkers
in mijn lokkende salon
onder het mom van pruikenwasser lacht tot dan
mijn heimelijk verbond met schapenscheerders
o ja, ik weet het: de wet van het mes spekt
de beurs van de beulsknecht, en als die werkt
verguldt de scharensloep zijn wagen
maar ook voor deze nouveaux-riches
is op een bijl gerekend, op zaagsel
geen herhaling teveel in het kwik dan: hoe
zuiverend wit zijn ons beider jassen, het bloed
wast het bloed uit mijn vlekkeloos bekken
hier helpt de lieve moeder, dacht u? heilsoldates?
stom lood niet dat de cijfers in het dagblad slaat
meneer, want schrijven zullen ze, verbolgen eerst
de vette koppen, later juichend hoe wij snel
en sneller raad wisten met rijke luizen
natuurlijk, er blijven problemen, de lege
kazernes bijvoorbeeld: wat doen met de huizen?
daar maken we vleeseters van: valse honden
grauwen nog maandenlang in de wind, tot het weer
in de spiegels geen tanden meer weergeeft
en in mijn salon wiegt de stilte het spinrag,
een magere muis oogst geruisloos wat piekhaar
oxide op roestvrije scharen bewijst het
: geduld velt de baard van de sleutel,
verkruimelt de kluizen
want, o, het gebrek aan gewette coupures: beknaagd
sluit de kerk haar wormstekige banken
nog valt te bezien of de bidprenten hielpen:
tonsuur op tonsuur woekert voort in de akker, ontaardt
en ontluistert de hemelse ploegschaar…
maar u zit maar, u denkt aan de schaar niet, vertrouwt
op mijn zekere handen, tot straks of wat later
misschien in het beursblad uw ogen het teken ontzien
dat de mijne zo gretig verwachten: de prijs van
de scalpen in Idaho daalt nog!
tot dan meneer, houden mijn stille vriend
en ik de wereld keurig kort