DE STOPPELAAR, J.J.
Sedep Malem (Geurig in de nacht)
De dessa* slaapt. De vuren zijn gedoofd.
Nog hangt een zweem van rook onder de bomen.
Ik heb vandaag in het geluk geloofd.
Hoe moeizaam sterft het hart toch aan zijn dromen.
De weg is stil. De donkre tamarinden
Buigen een koepel in de zoele nacht.
Hier kan verlangen slechts verlangen vinden:
Een enkel mens, die eenzaam is en wacht.
En langzaam ga ik, tot het plots gebeurt:
Een zwakke windzucht uit het roereloze,
Zodat opeens de nacht naar bloemen geurt,
Adembenemend van de tuberozen.
dessa : Indonesisch dorp
Kom laat ons gaan
Kom, laat ons saam de weg op gaan.
Ik weet een bergbeek en een brug,
Daar vindt het hart zich weer terug.
Men kan er uren blijven staan,
Want niemand zal ons vragen doen.
Daar op de donkere terrassen
Groeit jonge rijst in zilveren plassen,
De wereld is er jong, en groen.
De bergen zijn er donker blauw,
Zo hooggestapeld in hun bouw.
Zie, aan hun voeten uitgespreid
Liggen de velden neergevleid.
Hier is het dat men weder wéét,
Al wat men in de dag vergeet.
Kom laat ons saam die kant op gaan
En wachten op de jonge maan.
Tropennacht
Wee mij, als langs de nachtlijke portalen
Geheimenissen sluipen naar mijn deur,
Als aan mijn venster zwoele bloemengeur
Zich mengt met damp uit nachtelijke schalen
Als donkere ogen in den donker stralen.
O, manestralen om de dode rozen,
Zo zwaar van dauw en van te maatloos geuren:
Hoe kunnen toch de takken dit nog beuren,
Dit hopeloze, dit hopeloze…
De zwanen
Het zwarte water draagt de trage zwanen,
Die roerloos drijven op de donkre stroom.
De koelte kust de lovers der platanen,
Die doodstil staan in hun eigen droom.
Diep naar het bos verduistren zich de lanen
Van beuk bij beuk aan de bemoste zoom.
Maar op het water dropplen zilvren tranen
Van vloeibaar licht uit iedre stille boom.
Dan wordt het nacht. De blanke vogels richten
De koppen naar de bleke lucht en zwichten,
En om hen heen rimpelt de gladde vliet.
De diepte blinkt van diamanten schichten;
Juwelen bliksem splijt het nat en schiet
Ten hemel op … daar blijft een sterre lichten.
De jonge sater
In 't avonduur zoekt zich in 't koele bos
De jonge halfgod, naakt en onbespied,
Een plek, waar hij zich uitstrekt in het mos.
Een dwaze blijdschap overstelpt hem later,
Wanneer hij nimf en faun verzameld ziet
Bij 't blank gefluit op 't afgesneden riet,
Dat hij zich koos die morgen aan het water.
Hij speelt; maar onder 't borstlig haar der ogen
Ontvonkt een gloed, wanneer het nimfental,
Schuimblank, als zo de waterval onttogen,
Zich steeds vermeerdert, door het klaar geluid
Gelokt, dat soms verdroeft tot weker schal.
Hij speelt; de rosse wimpers splijten smal,
De vingers trillen aan de dunne fluit.
Daar knapt opeens het speeltuig in zijn handen!
Een schaterlach, zozeer in 't woud geducht,
Berst uit zijn ruige mond, waarin de tanden
Als van een roofdier staan: ivoor en lauw.
En nimf en faun stort heen in wilde vlucht!
Hij, een wijl verdwaasd, staat stil en snuift de lucht
En hoort terzij ... het lachen van een vrouw.
Zijn ogen spalken wijd, zijn boksbaard trilt,
En met één sprong in 't dicht struweel verdwenen,
Stoot hij een kreet uit, zó, dat de echo gilt
En nog eens gilt. Hij vlucht in dolle schrik
En brult in 't gaan om dat ontzettend éne.
- Maar eindlijk 't brullen moe slaat hij aan 't wenen
En breekt zijn angst in kinderlijk gesnik.
Sonnet IX
Hij is nog de enige, die langs de straat,
In ’t vale licht van de besmeurde lampen,
Terwijl zijn schaduw steigert in de dampen,
De vage tocht van zijn verlangen gaat.
En, o, zijn ogen in ’t verwoest gelaat
Dat groef bij groef het merk draagt zijner rampen,
Zien niet de stralende bestarde kampen,
Waar “t vreemd geluk van de eigen woning staat.
En altijd verder gaat zijn stage voet.
Hem zijn de huizen een vergeefs geduld,
Hem komt het uur niet lossend tegemoet.
Hij kent geen droom van nu, of jaren her.
Eén waanzin slechts heeft heel zijn ziel vervuld:
Hem is geen verre horizon te ver.