HAESAERT, Walter


Een warme holte 1


Zij was de tederste van alle tederheden.

En aan de oorsprong van haar lach

lag ik. Van elke brand was zij verzekering.

Van welke ster was zij de ring 




die in de ruimte nevels ving?

’s Nachts als de herberg van de zon

gesloten was, ontmoetten wij elkaar

als schemer. Dan op de rand van donker 




nam ik haar, tastend de wortels

van haar angst. En aan haar zuchten

kleefden schilfers die ik voorzichtig

milderde, als was zij dier, verwildering.


Een warme holte 3

Zij was de tederste van alle tederheden,

zij was de letters van mijn woord,

mijn ligplank, mijn koel water.

Zij was het glanzend hout waarin de ringen

van de jaren waarin wij samen waren.

Als gij haar ooit ontmoet, spreek haar dan aan,

maar haal voordien de naalden uit uw stem.

Pijnig haar niet. Geloof in haar, maar plet

voordien de tuinslak twijfel in uw hand.

Want zij was goed, zij was geschenk van zomers.

Zeg haar dat ik haar zoek,

dat ik aan elke hoek weer navraag doe,

als was zij laatste woord

van een zeer graag gelezen boek.


Een warme holte 14


Zij was de tederste van alle tederheden.

Dit was haar huis waar zij mij op de wereld

bracht, het huis met al zijn kerselaren,

en met de stallen waar ik paard was,


eend, kalkoen, patrijs of goudfazant.

De aarde die haar vreugden evenaarde,

nam ook haar koude op, voor als

het vroor, haar vocht voor regenvlagen.


Herkent zij nog de herdershond van toen?

De weemoed van ons blauwgrijs paard?

De toespraak van een krielhaan

of de kreten van haar dode oudste zoon?



Een warme holte 15


Zij was de tederste van alle tederheden,

het ijzer van mijn erts, de vlokken

van mijn sneeuw. Zij was mijn antwoord

op uw vragen, tenminste als gij een antwoord zoekt.


Van kinderen was zij de stem, van nevel

de met melk doorweven slierten. Ik zie haar nog,

toen wij ons samenzijn met zonlicht vierden,

de gele tarwe in haar schoot tot brood versieren.


Dit was haar jas. Het leed verborg zij in de hagen.

Ik hoor haar nog het einde van een onweer

en de oorlog vragen, ’s nachts, toen wij als kleine

katten in dat ene grote bed te sidderen lagen.




Een warme holte 18


Zij was de tederste van alle tederheden.

Haar glanzend haar viel zacht als zand

op het asfalt van al mijn handen.

En ik werd boom en plant.


Ik opende mijn schors - de pijn

nam mij slechts matig in beslag -

nadien stokte mijn adem: dit was zo vreemd.

Aan het merg van mijn rug beet de dag


zich vast. En ik werd woede en verdriet,

én nederlaag. Toch droeg ik haar, bedwelmd,

verschanst tussen de wollen armen van mijn takken.

Ze was er goed. Slechts dit: ik zag haar niet.



Een warme holte 19


Zij was de tederste van alle tederheden.

In Merendree, achter een oud grijs paard

dat dagenlang te sterven liep, werd ik

haar vlees - een warme holte -


Zij werd weerkaatst: veulen dat radeloos

tussen de kogels holde en op zijn moeder

riep. Zij gaf mij melk en droom

en wolkenvelden, en angst voor vallend


donker. Doch telkens ook verzekering

dat het verdriet met trage vleugelslagen

wegtrekt, en terugkeert als het warmer wordt,

de dagen langer en de nachten korter.


Bijna

Ik ben bijna geschiedenis,

bijna wat is geschied.

Bijna een plas van wat ooit

een onweer was.

Bijna de rode vlek na een glas wijn.

Bijna het lege bord

of een van de gebruikte vorken

van een heerlijk laatste avondmaal.

Bijna de voedstervader

van een schrale troost :

'Niemand wordt ooit nog iemand.

Niets wordt ooit nog iets.'

Bijna een houtblok

voor het hopelijk milde vuur.

Bijna bijna, bijna nabij, bijna na mij.