OTTEN, Willem Jan


Wad

Kraste het water enige uren geleden

met zijn hoeven nog tegen de dijk:

nu ligt het wad voldaan en zwetend

voor zich uit. Vogels pikken ongedierte

uit zijn plooien. Hier en daar een rilling

door zijn huid, waar wind het water raakt.



Petrusgedicht


Mijn leven is gaan wentelen,

als water na de losgerukte stop.

Ik werd een bad dat draaien ging

om steeds hetzelfde grondeloze gat.

Jawel, ik hang het geloof aan

van het lege graf. De god daarvan

ging dood, zijn lijk verdween.

Ik moest erheen en ook sindsdien

moest ik er steeds weer heen,

in kringen draai ik er om heen,

één grote wenteling ben ik

het gapend duister in dat mij

doet vrezen dat het is geschied:

mijn god een sterveling,

hij ligt nog in zijn windselen

en trekt mij nergens in.