HERTMANS, Stefan



Naar Merelbeke

…..
Ik had altijd al willen schrijven, al wist ik niet precies wat dat woord eigenlijk inhield en al deed ik het nog voor ik erbij stil had gestaan dat ik het deed. Soms kon ik de eenvoudigste dingen in de wereld niet meer aanzien zonder de hevigste op winding te voelen. Dan moest ik in het stalletje gaan zitten, tussen de flessen carbolineum en terpentijn, de geur van nat te steenkool en oude vodden. Wat was er met mij aan de hand? Een jongen met een witte hond op een leeg voetbalveld, een akker met bevroren bieten en grijswitte wolken erboven, een tuintje met een omgehakte perenboom en wat rommel naast een konijnenhok – ik liep er soms volkomen ontredderd vandaan. Iets in die verschijningen trof mij zo erg, dat ik dacht dat ik dood zou gaan. Alsof ik aan de verschijning van de wereld op mijn netvlies zou vergaan omdat ik niet kon vatten dat hij er gewoonweg was, eerder dan dat hij er niet was. Alsof mijn bewustzijn liever had bestaan zonder die wereld met zijn verwarrende sensaties, waardoor het nochtans voortdurend werd verleid, naar buiten gelokt, in de war gebracht, in het leven geroepen. De kleinste dingen, in die tijd, veroorzaakten de grootste onrust in mij. En om dat ik die niet kon lokaliseren, kon ik er ook geen vat op krijgen. Pas later heb ik daar geleerde verklaringen voor gelezen – ze hadden iets te maken met een mogelijke breuk tussen mezelf en de dingen om mij heen, en die breuk, zo begreep ik, had toen nog niet plaatsgevonden. En in dat oerwater van mijn dromen levend begon ik op te schrijven wat me zo van streek kon maken. n stond, bleken het gewoon beschrijvingen van dingen te zijn.

…..


Dius

…..
Ik heb er ooit een lange, lome augustusmaand doorgebracht met Nouka, die op een kleine cassetterecorder eindeloos muziek van de Gipsy Kings afspeelde. Dat was nog voor de grote uitbreiding van de haven, toen Heist nog iets van de verloren grandeur uitstraalde, een melancholieke sfeer waarin we, in de lang aanhoudende schemer van de zomerdagen, naar brasserie Coupe de Nice slenterden, waar Nouka steevast meloenijs met gebrande nootjes en slagroom at, haar voeten op een stoeltje van wit plastic, terwijl ik liefdevol het zand van tussen haar tenen wreef, waarvan de schelpvormige nagels, als even zovele, volmaakte venusschelpjes die met elke teen kleiner werden, glimmend zwart waren gelakt

.…..
Weet je, zei ik – tussen de prachtig geschilderde witte lelies aan zijn voeten staat op een achteloos papiertje naast een slanke hermelijn, de tekst Malo mori quam foedari – ‘Ik verkies te sterven boven eerloos ten onder gaan’. Dat was het motto van de Orde van de Hermelijn, ontstaan omtrent Carpaccio’s geboortejaar; de jongeling maakte blijkbaar deel uit van een destijds modieuze ridderorde gesticht door de koning van Napels. Hij is omgeven met dubbelzinnigheid en allegorie, terwijl het toch om een poserende vechtersbaas gaat… Androgynie, elegantie en geweld…

Mijn vroegere geliefde lachte melancholisch, legde met een sierlijk gebaar een haarlok achter haar linkeroor.

Misschien heeft Dius ons willen tonen wat er het volgende ogenblik had kunnen gebeuren, zei ze: dat de ridder de strijd wel moet aangaan, dat hij onvermijdelijk wonden zal oplopen. Dat had jouw vriend de student dan wel goed gezien. Heb jij hem dat ingefluisterd?

Helemaal niet, zei ik.

…..


De bekeerlinge

….
Maar vooral naar het einde van de donkere nachten toe, doemt voor haar het beeld op van haar ouders in Rouen: haar moeder die levenslang zal treuren en die soms ziet zitten in de grote voorkamer van het huis, ver in het noorden, haar vader wiens oogappel ze ooit is geweest, hij die zijn ridders in woede achter haar aan heeft gestuurd en wiens hand ze vreest, zodat ze zwetend wakker wordt in de diepe stilte van het slapende dorp onder de rots. Ze weet dat ze opnieuw een kind draagt in haar vermoeide lijf

…..
David heeft met een van de rabbijnen over het meisje gesproken, en haar voorgesteld als proseliete. Dat werkt; bekeerlingen waren welkom in de Joodse wereld, de grens tussen Jood en niet-Jood was minder strikt dan nu. Wie zich wilde bekeren kon ten volle als Jood worden aangezien en bleef niet levenslang een goj." Bladzijde 57

"Enkele kilometers verderop, onder bij het dorp, is het gebalsemde lichaam van David Todros reeds vergaan op het Joodse kerkhof. Ook Hamoutals gebeente vervalt tot stof, het lijkt op een handvol gelige aarde en is niet meer van de tijdloze beweging te onderscheiden. Onaangedaan ligt ze , en gaat op in de aarde. Geen graf, geen spoor van het feit dat ze ooit heeft bestaan."

…..


Oorlog en terpentijn

…..
Geheime passie, geheime leer die ons niets leert. Trouw aan wat niet is, maar dat alles bepaalde, van vorm voorzag, een geheime betekenis verleende. Het belangrijkste kon hij niet delen met de anderen. Dus schilderde hij bomen, wolken, pauwen, het strand van Oostende, een neerhof en stillevens of half afgeruimde tafels, een immense, stille, toegewijde treurarbeid, om het huilen van de wereld te bedaren in de meest alledaagse dingen.

…..
Slag aan de IJzer, oktober 1914

…..
De bocht was hier erg verraderlijk. Teruglopen betekende een wisse dood; zelfs onze eigen mannen zouden op me schieten, niet vermoedend dat ik het was. Ik moest dus de dijk over om te kijken wat erachter lag. Plots zag ik in de verte links Kimpe op de dijk klimmen; hij sprong voorwaarts, dook onder de kapotgeschoten afrastering. Ik deed hetzelfde; we liepen met honderdvijftig meter tussen ons in beiden op de vijandelijke linie af. Dit is gekkenwerk, ging het door mijn hoofd. De kogels vlogen op kniehoogte om me heen, ik liep en sprong over lijken en nog eens lijken, zo dicht bij elkaar dat het me de adem afsneed; maar aan het eind, voor ons, moest de parallèle de départ liggen die men ons bevolen had te markeren. Ik sprong als een gek heen en weer tussen de rondfluitende kogels, ik danste las een idioot voor mijn leven. Eindelijk bereikte ik de meest vooruitgeschoven versperring. Ik moest nu razendsnel handelen. Ik sprong, maar voelde een slag door mijn lijf gaan, ik wist niet waar, een witte flits voor mijn ogen, het gevoel dat mijn buik openscheurde. Ik duikelde te midden van vallende kleine scherfbommen in een droge sloot. Ik lag bevend plat op mijn buik, mijn linkerlies deed zo’n pijn dat ik een minuut lang niet kon ademen en dacht dat ik zou stikken. Ik kon niet om hulp roepen, niet hoesten, ik kon niet bij mijn verder op de rand liggende geweer, ik kon de op mij gevallen ransel niet losmaken, ik was volkomen verlamd. Met een wazige blik zag ik de dijken van de IJzer op zo’n honderd meter voor mij. Net voor ik bewusteloos raakte mompelde ik: Orders uitgevoerd, mon commandant .

Toen werd het zwart en stil.

…..
Op een dag word ik opnieuw bij een commandant geroepen, een Brusselaar die me verplicht na elke zin te salueren. Terwijl hij me op die manier vernedert en ik als een clown na elke zin mijn hand aan mijn hoofd moet brengen en de hakken tegen elkaar slaan., kijkt hij grijnzend toe en deelt me uit de hoogte mee dat ik overgeplaatst zal worden naar een andere sectie, omdat ik te vriendschappelijk omga met mijn mannen en dus een gevaar vorm voor de militaire discipline. Ik vraag of dat een bevel van hogerhand is. Hij brult in het Frans dat een flamand geen vragen te stellen heeft. Ik salueer en verdwijn, pak zwijgend mijn spullen bij elkaar. De jongens kijken niet-begrijpend toe: Wat gaat ge doen, Martien?

…..
Taisez-vous, Delrue, snauwt de officier.

J’en ai marre de l’humiliation des Flamands, roept hij uit. Et vous tous – hij wijst zijn commandanten en de op de herrie afgekomen onderluitenants aan – vous êtes tous coupables de cette imposture, idiots.

…..


De opgang

…..
Hoe meer ik Adri’s memoires ter hand neem, hoe meer het me opvalt wat hij allemaal niet grondig heeft kunnen of willen doordenken. Alsof schuld erfelijk is en hij niet bij machte was om te torsen wat hij op zich nam: een zoon met het dode gewicht van zijn vader op de schouders. Pijn ligt in de stilet tussen de woorden van zijn getuigenis

…..
Ze ( Mientje) blijkt er inmiddels ook uitgesproken politieke ideeën op na te houden. Ze was door haar man Vlaamsgezind geworden, ze sympathiseerde met de gerechtvaardigde eisen tot onderwijs en bestuur in de eigen taal, ‘daar moet elke rechtgeaarde democraat voor opkomen’, maar ze verzette zich hevig tegen elke vorm van militarisme. ‘Geen enkel idealisme kan geweld rechtvaardigen, elke strijd is een culturele strijd,’ beweerde ze. Haar hekel aan uniformen was zo sterk dat ze iedereen die het waagde zich militair uitgedost aan de deur te vertonen de toegang weigerde.

…..