OUWENS, Kees


Emmers


De hemel was zonder bewolking. Het was een dag in juni, dat ik

mij te buiten ging aan de warmte der zon. Er hing een schitterend

licht over de wegen die zich voor mij uitstrekten, op die dag dat ik probeerde

mij schijnbaar onvermoeid te verwijderen van de buitenwereld.

Tot mijn niet geringe verbazing scheen het landschap om mij heen onberoerd

te blijven door mijn aanwezigheid. Een vogel vloog als het ware

uit mijn hoofd op, op weg naar andere vogels in het blauw der lucht.

Over de rieten daken der hoeven stond hemel. Een vrouw kletterde

met emmers, hijgend gebogen over haar onpraktisch gezwollen

borst, met rode armen breedsprakige gebaren makend in het troebele

water van een sloot. En zij zag haar gezicht vol waggelende domheid

bewegen op de door haarzelf veroorzaakte golvingen der oppervlakte.

Ik stond stil en zag haar, als een door schorten omhulde baal

lichaam geknield zitten op een houten vlonder, haar verlepte en

bolle gelaat uitdrukkingsloos in de modder starend. Er was niets in mij, dat

van haar hield. Ik voelde mij langzaam afkoelen, alsof uit de grond

onder mij de dood naar boven trok. Wie was ik, dat ik hier kon zijn, in dit

door hitte verdoofde en zwijgzaam geworden landschap, met een vrouw

op enige afstand van mijn lichaam, dat zich verzette tegen haar

aanwezigheid. Er was geen gebaar te vinden plotseling, waarmee ik mij

op snelheid brengen kon, teneinde haar de rug toe te kunnen keren. Met

toegeknepen ogen tegen zonlicht ging ik niettemin op weg naar plaatsen

die mij lokten,

zonder nog te denken aan de sporen die ik moest achterlaten om op mijn

schreden te kunnen terugkeren wanneer de tijd drong omdat het

nacht werd en niets mij nog zou kunnen redden van die gretige

machten der duisternis.


Kleiige oevers

…..
O, popelende

herten waren wij, zo rein en zonder gedachten, met

ogen als het

licht zelf. Als licht, zo waren wij, en wij voelden het,

de wereld

als oog, koud en onaangedaan op ons gericht en alom

om ons heen.

Duistere nachten ontwaakten in ons, daarom

daarom!
…..


Ochtendzon


Ik was ten prooi aan mij zelf


Ik weigerde om mij heen te zien

verder dan het aanrecht dat mijn gezicht droeg


Ik verlangde mijn hoofd te doen uitlekken boven

de gootsteen


Plaatsten mijn handen zich in mijn nek

wrongen zij deze uit als een dweil


Ochtendzon viel door het keukenraam


Waarom ben ik niet mij zelf gebleven

fluisterde ik

Wie ben ik geweest fluisterde ik


Waarom ben ik niet mij zelf gebleven

fluisterde ik

Wie ben ik geweest fluisterde ik


Een groot schrijver

Ik legde mijn pen neer en begaf mij
naar buiten.
Daar keek ik omhoog en zag de sterren.
Het was een stille nacht.
Ik ben een groot schrijver,
dacht ik.

Toen begaf ik mij weer naar binnen,
om die regel op te schrijven
en er schoot mij een traan te
binnen, die op mijn schrift viel.
Ik huilde om de waarheid.



De dauw

Ik liep eenzaam.
Korstige paden ontrokken zich aan mijn voet.
Verre dampen zag ik en
zwart was alles om mij heen.
De muren van de nacht lagen over me.
Zo zwaar was ik van binnen en
drassig mijn hart, de dauw reeds
op mijn wangen, zocht ik heilloos en
verloren naar jou, of naar iets anders,
en iets hield zijn adem in en bleef op
onveranderlijke afstand meewarig en
verwonderd achter me.



Slechts nacht

Buiten adem verliet ik de woning. En het was alsof duisternis over mij kwam.
Jachtige wolken trokken voorbij, zo haastig. Met
flarden maan. Zo spoedde ik mij heen, langs eindige trottoirs, de
bleke lippen strak – als een streep. Afwisselend was hier
gewas, met bomen, stijfkoppig almaar zichzelf
staande houdend, met mij langs glijdend, als schim. Zo
gejaagd was ik nu, sneller, sneller, spoedde ik mij,
herwaarts, reeds lang geen stoepen meer, noch wegen,
slechts paden onder mijn haastige voet, slechts
nacht, als onafzienbare steppe. O, ik hield van mij,
en daarom weende ik, alsof ik verloren ging.


Ja ik ben vertwijfeld


Wat de god mij gegeven heeft, heeft hij mij afgenomen


Mijn bestaan is bemest geweest ja zeker

het zaaigoed heb ik vermalen

niet afwachten kon ik mijn honger


Als windkrachten op ontoereikende schalen is mij te boven gegaan

Als graaiende stormen over wouden zijn mijn handen geweest in mijn haren

Als stortregens, na een broeiing door verval van klaarte, zijn

mijn tranen geweest

En als de gek van het dorp ben ik geëindigd


O zwart waren de putten van mijn afdaling in de gronden


Als een tijger is het mij te lijf gegaan

Als een verbranding kwam het over mij

Als een nagel is het over mijn gezicht gehaald

Als een verminking is het door mij aangevoeld

Als een schennis is het door mij ervaren geweest

En tot de angst heeft het mij bepaald


En ik was vertwijfeld daarvoor

En vertwijfeld daarna



Ik word ouder


Ik word ouder

en dat is op zich niet verwonderlijk.

Maar wanneer ik op een canapé lig,

die ik zelf niet bezit en

een sigaret neem uit een dure, ivoren doos, die niet bij mij

past,

besef ik, dat ik al veel tijd verknoeid heb

en dat het in de toekomst net zo gaat

al kan ik dat niet zien.