PEAUX, Augusta
Oude huizen aan de kade
Zo staren lichtschuwe uilen in de zon,
zoals die grauwe huizengevels staren
en suffen door de dag als oude vogels.
Maar met de avond staan zij scherp van bek
en scherp van klauwen op de winterlucht,
die gelig vlakt in ’t Westen, effen, koud.
Zeearenden, zo zien zij over ’t water
heel donkere, grote beesten.
Treurnis
In de lente met het eerste groen
is mijn leed geboren
nu geven de bladeren schaduw en doen hun ruisen horen
en mijn leed leeft sterker als toen
en het zal niet welken met het welkend lover,
het gaat niet over
Op de verbrande hoeven melden de hanen de dag
De hanen melden de dag,
als zij immer deden.
Gisteren woedde de slag,
gisteren heerste de vrede...
De hanen melden de dag.
De hanen riepen het licht
over de wereld uit,
toen het doofde in een aangezicht
donker van aarde en kruit.
De hanen weten niet
hoe rood de morgen is,
die hun eeuwen oud lied
krijst door de duisternis.
De hanen melden de dag.
Geen die het hoort
op de dode hoeve,
zinverloren woord
in wereld droeve
geen die het verstaat.
Der woorden kern
De woorden zingen zo vreemde zang,
ik kende ze toch, mijn leven lang,
maar ‘k heb ze nooit zo diep verstaan,
licht zijn zij langs mij heen gegaan,
nu rijten zij mijn herte wond,
de woorden, die ik nooit verstond.
Weelde
Ik wilde in de morgen de droppen van dauw,
drinken aan takken, de verten nog grauw,
ik wilde mij wiegden door ’t woelige leven
de schaduwen die langs de bospaden zweven.
Ik wilde mij streelden te middags in ’t bos,
de wind over ’t water, de zon over ’t mos,
mij zoemden insecten een zang zonder zin,
waaraan nooit een einde is, noch een begin.
Ik wilde, mij lokte het laaiende vuur
naar huis in de avond, ik wist van geen uur,
maar ’k wist van het welkom der spelende vlam
en zag aan een ster, dat het nachtdonker kwam.
Ik wilde mij beidde de zwijgende nacht
en ving mij in vleugels van maanlichte pracht
en liet mij weer vrij met de zon en de dauw,
de krimpende schaduw, het nevelig blauw.
Najaarswandeling
Er was een woord in de wind, bij `t gaan
over de duinen – wij hadden `t gezwegen –
`t woei kil elk bloeiend leven aan,
`t was allerwegen.
En wij gingen als blinden en waren doof,
gingen als doven en waren blind,
en de dood van de zomer was in het loof
en ging ons voorbij in de wind.
En `t popelblad trilde op het wolkengrauw,
als maanlicht op dodenzerken,
en ver in het schaarhout schimden flauw
de witte geraamten der berken.
Eenzaam kerkhof
De witte grassen bewegen en komen
heen en weder door wind en dauw,
de takken wiegen hun stille dromen
op donkere armen in sluiers van rouw,
het sleepkleed der treurende essenbomen
raakt bloeiende grassen in avonddauw.
Hoog groeien de grassen,
wind die ze zaaide,
wind die ze verwaaide, zij bloeien uit,
geen hand die ze plukte, geen zeis
die ze maaide
de witte grassen bewegen en komen
heen en weder door wind en dauw,
op de hekspijlen buigen de bomen
hun donkere hoofden in krip van rouw
hun hangende sluiers beroeren de klachten
der witte rozen en het schemerrood
der oude daken, vele wolkengeslachten
gaan het hek over, de bloemen en de dood.
Woest liggen de graven, de grendelen der aarde
sluiten de doden van 't leven af,
zij zinken al dieper, een weeldrige gaarde
bloeit, hoog als de hemel, boven hun graf
en de wagenmenner, in 't beeld van de sterren
ziet ernstig peinzend omlaag,
ver ligt al de aarde, een stip, zo verre
en zijn paarden gaan zo traag.
Langs andere werelden siert hij zijn wagen
en waar geen werelden meer zijn,
de steppenvlakten door van een eindeloze,
vage, onbekende hemelwoestijn.
Voorjaarslandschap
Nog stonden alle bomen zonder blad,
de eiken en de iepen en de beuken,
als grijze bossen op de grijze lucht
zo waren, dicht en ruig hun brede kruinen
en leken op een rij van lege kooien,
in de effen grijzig-blanke voorjaarslucht
toen daar een vogel langs vloog, donkerzwart,
heel in de verte vloog hij traag en recht
langs al die bomen, als van kooi tot kooi.
In het oerwoud
Liefde’s wezen is zo teer
en ons hart is het ruige bos
en wij weten haar daar in de wildernis
alléén en van alles los,
van alles, van wereld en schone schijn
om enkel te zijn wat zij is:
een vlam, een verlangen, een felle pijn,
een kreet in de duisternis.
Wie ’t spoor in de bossen bijster raakt
is daar aan de dood gewijd,
en liefde zwerft argeloos en naakt
door ons donkere hart en de tijd
en wij kunnen niet redden, het leven is wreed
en het lot een verscheurend dier
en angst om zijn liefde is ’s mensen leed
door al zijn dagen hier.
Zomer
0 Zomer, die wenkt met handen
op 't zonnig pad!
Ik zie geen wenkende handen,
'k zie 't eikenblad
rood in de jonge toppen...
0, wenkte dát?
Ik ga de rulle paden
0, wat is dat?
Dat zijn twee vlindervleugels,
geen eikenblad.
Twee rode vlinderwieken,
die zeggen... wat?
O, zie mij van zonnige hemel,
Zomer, zo vreemd niet aan!
Hoe kan ik van uw dagen
het rode raadsel raân!
Leer mij in sterrennachten
zijn gouden zin verstaan.