HEMKES, F.L.
’t Geuzenvendel op de thuismars
Zij kwamen na jaren uit Brabant weerom,
Met vliegend vaandel en slaande trom,
En zagen de zon bij het zinken,
Op 't duin van hun vaderland blinken.
Zo rukken zij voort, 't is de zee, die hen trekt,
Maar ginds, waar het gras hun gevallenen dekt,
Is 't, of hun een „halt!" wordt geboden,
En houden zij rust bij de doden.
„Kom, sla hier de trommel en steek de trompet!
Maar langzaam en statig, als zij 't een gebed,
En treed met ons vaandel naar voren,
Zij zullen het prinsenlied horen!"
Zij zongen het saam, om de heuvel geschaard,
Met de hand aan de hoed, met de hand aan het zwaard,
En plechtig ver in 't ronde
Klonk 't lied van Aldegonde.
Toen sprak nog de hopman een: „Broeders, goênacht".
En 't vendel trok voort. Aan de kim als een wacht,
Verhieven Holland's duinen,
In 't avondrood hun kruinen.
Verlangen
Was ik een vogel, met gezang
Spreidde ik mijn wieken uit;
Dan sloeg mij 't hart niet wild en bang.
En vloog ik naar mijn bruid;
Snel ging het over stad en land,
Van zee tot zee, van strand tot strand
Naar u, mijn lief, mijn lust!
Waar Holland's duin rijst boven 't zand,
Dáár vond ik rust!
Al wuifde en ruiste 't groene woud,
Waar ik langs henen streek,
Al blonk omlaag het graan als goud,
En lokte een zilv’ren beek,
'k Verpoosde niet, maar dag en nacht
Ging 't rusteloos voort, terwijl ik dacht
Aan u, mijn lief, mijn lust!
En 'k trof de plek waar gij mij wacht,
Dáár vond ik rust!
En, of de stormwind langs mij joeg
En uit het kruiend zwerk
De helle bliksem nedersloeg._
'k Vloog toch op moede vlerk
(Al dreigden ook gevaar en dood)
Nog hijgend voort door storm en nood
Naar u, mijn lief, mijn lust!
Dan zonk ik neder in uw schoot,
Dáár vond ik rust!
Nooit
Nooit, zolang de glans der helden,
Holland! eens uw kracht, niet bleekt,
En het beeld eens Artevelden.
Vlaandren! tot uw zonen spreekt,
Nooit, zolang nog sterren glijden
Langs de hoge hemelbaan,
Zal de geest, die wij belijden,
Immer sterven en vergaan!