LANOYE, Tom


Zonder handen, zonder tanden


Geen woord zo vrij als vrij.
Het weert wat men verbiedt.
          Smetvrij. 
          Vetvrij. 
          Kogelvrij.

Maar wat is dan gastvrij? 
(Ontdaan van vreemdelingenwaan?)
           En vogelvrij: een doel, een straf
           of een verzuchting op een graf?

                       (‘Hier ligt hij:
                      Eindelijk vrij.’)


Geen woord zit zo gestoord vol zwijnerij.
           Vrije jongen, vrije liefde, vrije handel. En
           toch loert overal ook angst voor vrije val.


          Geen woord bekoort zozeer
                     voor wie het hoort.
          Geen woord vermoordt zoveel
                     van wie er niet bij hoort.


          Vrij —
                     wij?


De lucht is vrij,
De vraag is vrij.
De vrijheid niet. 

          Ze lonkt en vrijt.
          Maar zij ontschiet.



Het klappen van de zweep


ij was het type dat alleen door een gesprek

zover te krijgen was; een ernstige babbel,

iets diepgaands, over de vergankelijkheid

van het levende, de noodzaak van relativeren,

Wittgenstein, de anarchie, structurele crises,

neurosevorming, de dreiging van het neofascisme

of kernenergie. Als het maar eindigde in bed.



Jazz


Toe, vil mijn schaam dat wit

konijn, span dat vel en roer de

trom. Maak wat koel was kokend

en kanonsloop wat was krom.


Vel mijn boom de achterdocht

en zaag takken trommelstok van

liefde. Drum je namen in mijn

bas en maak mij jouw geliefde.


Hou me hou me hou me vast, en

kerf uit mij jouw boot. Sla

je peddels ritme op mij plat

en bedwing met mij de dood.


Programma


Weet ik veel hoe poëzie eruit moet zien.

Niet dat statische, dat uniforme.

Daar hou ik niet zo van.

Dezelfde toon herhaald

tot in den treure, en dat dan

'vormvastheid' noemen, of 'een

eigen stem' dat soort gelul.

Nee, daar hou ik niet zo van.


Geef mij dan maar het favoriete

snoepgoed uit mijn jeugd.

De toverbal. Je zuigt en zuigt

maar, telkens komen er andere

kleuren te voorschijn en voor

je 't weet, heb je helemaal niets meer.

Dát is het, vind ik.

Zoiets. Ongeveer



Doek


Roddels en geruchten?

Verboden en/of

afgedreven vruchten?

Alles, ik zeg het nog


’s, alles wat men zegt

is afval, zinkend nog,

verdwijnend in het kielzog

van een kwijnend leven:


een steeds opnieuw verlegd

gegeven, nooit genoeg verstopt

een makk’lijk weer te vinden; nimmer

weg te snijden, ook niet af te binden.


Nooit ver genoeg geschopt,

ten prooi aan vele Winden.


Poker


Het is tijd voor open spel, mijn

liefste. De kaarten op de tafel. Ik heb

er twee: mijzelf en wat ik schrijf. Ze

zijn van weinig waarde, om niet

te zeggen van geen tel. De


hand van jou is rijker: je lijf

is nog het minste, al is het lang

niet mis. Maar ook illusies heb

je nog, en hoop. Jij hebt alles

wat er is. Toch ben ik soms al


op je uitgekeken, ontkennen heeft

geen zin. Je zult dan ook wel weten:

gewenning is een ziekte, ze slaat

toe van bij het begin, en op het

einde is het beter om te breken.


Ik wil daar nu niet over praten.

Wat komen moet, dat komt. Alleen:

er zal nimmer sprake zijn van schuld.

En nog minder van vergeten. Dat er, in

dit land van kwezels en kastraten,


in deze tijd van tegenstand en

onbenul, twee levens waren die

elkander kruisten, met een vuurwerk

van vergeefse woorden, en de troost

van wat lichamelijk tumult.



ReinAard

…..
Maar nooit, putain! – hoe is dat mogelijk? –

Zocht ik mijn stuff in eigen streek.

Juist ik. Gescheten, uitgespogen,

In ’t Zotte Land van Waas & Wee

Waar ooit een vos de wellust preekte.


Een glorieus en geestig beest,

Van zeden los en los van God –

Een rot in zijn vak,

Een dot van een schoft,

Het kruim van het schuim,

The best of the beasts:


Die lachte met gezag en macht,

Die loog en likte, laag tot hoog

Die arm en rijk gelijk beloog,

In iedereen zijn rapen zeek

En deed en greep wat hij begeerde;

Die haat bedreef als was het liefde,

Die vrienden, na ze op te vrijen,

Probeerde op te vreten en

Die vetes met een beet of steek

Beslechtte tot zijn eigen baat:


de wrede met de

rossen baard –

de geile met

de stijve staart.

…..


Woningnood

Er wordt gebeld en ik doe open. Op de stoep

staat een krachtige mijnheer. 'Hallo hier

ben ik weer. De man met de hamer. Rechtstreeks

van de Kop van Jut hierheen gekomen voor het slopen

van uw woonst.' Hij stapt keurend rond zich

kijkend binnen. 'Neen maar, voor zover ik mij

herinner woont u hier toch wel het schoonst.'

Dan, een hamertje tevoorschijn halend: Zal ik

met deze kamer maar beginnen?' Hij klopt

de spiegels en het porselein aan scherven,

trapt de kasten in elkaar en kwakt rottend

fruit tegen de muur. In heel het huis gaat hij,

van zolder tot de schuur, als een bezetene

tekeer. Ik laat hem maar begaan, het is zo'n

eenzame mijnheer. Ik trek het mij niet aan.

In de gang heb ik, op alles voorbereid nog

steeds mijn oude koffer staan. Mij zien ze hier

niet meer, het is de hoogste tijd: linnen vliegt

naar buiten langs kapotte ruiten, een steen valt

suizend langs mijn kop. Adieu, ik stap maar weer

eens op. Ciao, au

revoir. Groetjes
van de bochelaar.


Waf waf waf

Leg de ketting klaar en hark mij tegen draad van
kokkelgeur, het ganzeëi moet stuk voor stuk
gezwellen. Toe maar, bakkelei wat bokbederft, jij
stropop volle maan. Je lazerij nu pruimsteen en
dan vellen speelt geen rol, maar hou van mij.

Knip mijn oren, snij die staart. Dat kindschap
zweet in appeltaart vol hoededoos en razernij?
En dat octaven biceps buitenspel erfdienstbaar
gaan, mits bloed gescheten foute formulieren
bij? Dat scheelt geen hol. Maar hou van mij.

Zing één voor één de nagels uit mijn poten,
hák. Geen jarretellen luxe geitebrij vol sap
ontstoken lippen meer, geen molleblinden eetgerei
of ellepijpen dood getij. Geen rollen
meer. Dan hou van hou van hou van mij.


Gent - Wevelgem


Mocht ik herbeginnen, ik zou het net zo

doen: niet om de poen, maar om die

nieuwe pakken. Die zo glimmend spannen

om je billen, en om die van elke ploegmaat

in het peloton. Ik zou mijn hele leven

willen trainen, net iets slechter dan de

ander, dan zit ik altijd achteraan,

genietend van de erotiek. Iets anders


wil ik niet. Of toch: in Gent vertrekken

met fanfares en champagne, vendelzwaaiers

en confetti, als voor een allerlaatste

rit, een feestelijke rouweditie. Dan, nog


maar pas vertrokken, springt die klotegroep

al weg, ik zit kapot en godverlaten op de

rechte baan als op het slappe koord. Geen

supporter wordt gehoord, geen achterkant


van renners nog gezien. Een paar keer

vallen bovendien. Misschien is herbeginnen

ook dan mogelijk, maar ik zou precies

hetzelfde doen: riempjes dicht en trappen


maar, wie houdt hem tegen, wie onderwijst

hem schade en fatsoen, wie haalt hem weg

van een schitterende zege, de zegen van een

stevig rennerszadel? O Grote Wielergod,


o Sister Brainstorm, heb genade met

uw gade Neem van zijn hand bezit en

leid zijn fiets: hij is op weg naar

Wevelgem, hij is op weg naar niets.


Een avondliedeken (naar Alice NAHON )


’t Is goed in d’eigen kut te knijpen,

nog even voor het slapengaan

daar ik van dageraad tot avond
weer met geen hond ben platgegaan.


Een sigarenwinkel in de Donkersteeg/Rue du Paradis


Drie jaar geleden stierf zijn vrouw, het huwelijk was

kinderloos en hij wil niet met pensioen. Ik geneer me

om de fierheid waarmee hij wankel sloffend van rek tot

rek zijn schatten zamelt en ze op de toonbank opent,

kist na kist, als dozen vol geheim genot. ‘Voilà, Mon-

sieur, à vous de choisir,’ handgewring, serviele kop.


De Slag bij Waterloo. Vier getroffen paarden in de modder,

goudomrand rond een havanna zachtjes kreunend; verminkte

veteranen houden dapper stand, banier aan flarden en

verbrand, de avond valt in weergaloze kleuren. De ouwe

sjacheraar! Ik buig me snel over zijn andere kisten,

maar zie: de koloniën, slavenhandel, Wounded Knee...


Tot ik op de steppe stuit en op d' onmetelijke steden

waarvan ik droom. Opeens ben ik zelf niets meer dan een

sigaar, tabak gevangen in zijn eigen bladen, hopend op

verzengend vuur: avontuur! Een uitslaand brandje, grootse

daden! Dan spreekt plots elk aroom en ieder bandje van

niets anders dan ik hou het hier niet vol, ik ga



Mijn moeilijk lief (1/3)


Vervloekt heb ik u, meer dan Beerschot ooit

verloor. Verlaten? In gedachten meer

dan eb en vloed uw kaden konden boenen.

Verraden? Nooit. Maar des te kwader vaak,

lijk iedere sinjoor, loop ik uw straten door

waarin zo veel zo grondig werd verklooid.


Maar waar - vooral door al wie er níet woont -

wat waardevol is nóg wordt weggehoond.

Dat ligt zwaar op mijn maag als ik dat hoor.

Ik spring dan - ondanks alles - in uw bres

en prijs u torenhoog. Ik wijs op uw

verleden, uw parlee, uw kathedraal.

Uw jazz toen jazz te boek stond als exces.

Ik toon u thans: uw kunst, uw diamant,

uw mannen van de mode en de dans.


Ik noem het allemaal! Maar met tactiek.

(Dus zonder uw balans en wapentuigtrafiek.)

(Uw flikken, al dan niet met vals krediet

en karren vol klandizie voor hun snol.)

(Uw secretaris met zijn vriendjeskliek.)

(Uw Schepenen met rugzak en sacochen.)

(Hun sleutelhangers, groter dan briochen.)

(De kaartjes voor hun koters.) (Hun paniek,

na jaren van struisvogelpolitiek.)


Oh nee! Dan krijgt kritiek bij mij geen kans.

Ik smelt voor uw tragiek en blijf u trouw.

Ik zing uw renommee. Qua fijne schrans.

Uw internationale resonans. Qua bier

met col en rock-'n-roll met zwans.

Uw trotse koppigheid. Uw hoerenchance.

Uw fel talent - gemaltraiteerd misschien,

maar door geen twintig charlatans te nekken.

Al uw geweldig bruisen! Al dat pakkends...

Wie dan nog met u lacht, krijgt op zijn bakkens.



Mijn Moeilijk lief (2/3)


Ja ge zijt groot, mijn schat. Natuurlijk dat.

En schoon. Beroemd. Bravo. Proficiat.


Maar waarom maakt gij u, waar gij ook komt,

van eerstaf en vanher impopulair?

Met uw astrante praat. Uw grote mond

(waarin ik, als ik eerlijk ben, mijzelf

steeds vond). Met uw heel difficiel karakter.

Alleen Parijzenaren zijn bekakter.


Maar slechts Parijs bezit genoeg om dat

te zijn. Haar Seine - nog geen Schelde in

den helft - heeft meer terrassen dan Sint-Anneke.

Haar bruggen? Eleganter dan uw tunnels.

Haar boulevards? Pikanter dan uw Leien.

In haar musea lopen meer Japanners

en naast haar Eiffel - is uw Boerentoren klein.

Afijn: voor men u ziet als dubbelgangers?


En toch ken ik geen stad met meer potentie.

Ja, gij! Dat maakt u bang. Vandaar uw groot

laweit. Vanbuiten kloek, vanbinnen koek.

Op zoek - tegen gebrek aan efficiëntie -

op de verkeerde plek naar medicijn:

pampierderij. Gezeur en sleur en sleet.

Al dat gewichtig wachten op bescheid

Na fel intern gekibbel en geschipper.


Hebt gij wel nood aan zo'n kwakzalverij?

Zijt wie ge zijt en vreest geen concurrentie.

(Alleen... Kleedt u wat hipper.) (Koopt wat schmink.)

(Ge vindt bij Pecotex al plenty sexy panties.)

(Laat uw coiffure in coole krollen kammen,

ja perst uw prammen in een Wonderbra.)

(En houdt uw hand niet altijd op.) (En lácht eens -

Al schijnt de zon alweer niet - op uw trammen.)



Mijn moeilijk lief (3/3)


Men zegt dat gij het liefst de waarheid hoort?

Welnu: bedrogen heb ik u. Gelijk gij mij.

Ik kon niet snel genoeg uw deur uit zijn.

Per boot, voituur of vliegmasjien - salut!

Het zeegat uit, het ruime sop - de kost!

En nooit kom ik nog weer - ik ben verlost!


Gelogen was het, als ik zei dat het mij speet.

Ik heb zo veel gezien dat gij niet hadt,

dat gij niet weet, en ik nooit meer vergeet.

(De Taj Mahal? Amai. Die mocht er zijn.)

(Chicago, Rio. Het verenigde Berlijn.)

(Het Witte Huis, de Nijl. Het Rode Plein.)

(In Rome, die fantastische fontein!)

(De dansertjes op Bali.) (De woestijn.)


Maar waar dan ook kwam altijd dat moment

waarop het hoofd beschaamd werd afgewend.

Daar zijn ze weer. De bedelaars. De krottenwijken.

De broekjes, amper kleren aan het lijf, die stijf

van luizen staan. Niet één kan lezen en toch snuiven

ze uit dertig merken lijm alleen de sterkste.


En altijd weer, in uniform: de bullebakken

die als een bende het bewind van hun ellende

beheren - letterlijk: geen vrouw in zicht. (Op tijd

en stond daalt wel beschaving neer, onder de vorm

van bommen en granaten, in de naam van God & Co.)

(Zij treft met wat geluk alleen de reeds mismaakten

Die om den brode juist hun stompen en prothesen

stonden te tonen aan de gruwende toeristen

die naar hun thuisfront kunnen keren met een oogst

aan kekke kiekjes en een eeuwenoud verhaal -

de geur van verse lijken in vernielde straten.)


Zo keer ik dezer dagen

ook rechtsom. Maar dan

met blaren op mijn hart.

Met gaten in mijn ziel.

Opnieuw. Dan toch. Weerom


vlij ik, op zalf en troost

bedacht, mij vol tegen

uw brede boezem aan.

En sus gered, verrukt,

beschaamd, bedrukt,

ten toon, ten langen leste:


‘Ik mag mijn handje kussen dat ik woon

in de gewesten van Sus Antigoon.’