VAN DUIJNHOVEN, Serge
Er waakt een vreemde soort in mij
Er waakt een vreemde
soort van ledigheid
in mij
die zich genesteld
heeft en groeit
als kool
een koude vlam
die steken toebrengt
aan mijn hersenpan
en in de muren van
mijn stilte zwarte
gaten brandt
als peuken in het
aftandse behang
ik word gek
van het tikken
van de druppels
het kwik dat mijn
oor schelpen binnen-
dringt precies op het
moment dat die rare
snuiter in mij, die mafkees!
eindelijk, eindelijk
eens slaapt
Jij moet spreken
Jij moet spreken liefste,
onze lichamen loom, de hemel leeg,
dat we voort doen, dat het niet
om niets en even min te vaak
of enkel uit gewoonte,
jij moet spreken liefste
en me tonen wat aan jij en jou alleen
bekend is en zeggen moet je alles
wat door jou voor immer en voor ieder
is verzwegen en verloren dan voor mij
zo dat ik kan beloven, liefste,
ik zal het je geven
Corridor de passage
Wij speelden als de klok sloeg volle uren,
we trapten alle dagen rond
we glommen in het donker als wormen
we waren licht en vettig, blind
we wilden wel maar wisten niet voornaam te zijn
de baard voornamelijk in de keel.
We struikelden over onze passes, onze woorden
we dribbelden onhandig als de hormonen in ons lijf
we verzwegen ons geheim dat roze als een tong lag
in de mond een roofdier klaar voor de sprong
we streken ons bloed uit over spiegels.
We wisten niet hoe overwinningen smaakten
hoe het zweet rook onder onze oksels
hoe de liefde eruitzag
we wisten heel weinig van het leven
we wisten heel veel
en met onszelf geen blijf.
De basis van het spel
Onze spelen zijn ons leven en
iedere wedloop is een levensloop;
een koers, een match die moet volbracht
een wedren van de ochtend tot de nacht
een strijd tussen twee gaten en wat lijnen
met een eind dat aansluit op de start
waarbinnen men in scherpe zin de tijd,
de punten telt en met een laatste bel-
of fluitsignaal het oordeel velt. Op de
tribune en daarbuiten wacht men af:
ben je de gevelde of ben je de held?
krijg je het speldje of krijg je het geld?
wie naar het hoogste streeft zal om
het bitterst strijden. Er is geen keus
het is eronder of erop. Het podium
of de strop.
Mortu tombu Miyi *
waarom de ene wel
de dans ontspringt
de ander niet?
een antwoord is
er niet
er ís geen reden
alleen het Lot
dat het heelal bestiert
volgens de wetten
van de willekeur
met een hand die nu
eens streelt en
daarna slaat
om zo de weg
te wijzen in de chaos.
* De zaak is voor mij gestorven en begraven (Haïti). ...
Vaes
voddenkoning van de Osse vuilnisbelt
Vaes duwde elke schemering zijn winkel
wagen door het vuil de berg op
en zocht tussen de rokende
rommel naar nog niet bedorven resten
van huiselijk attest … Gehavende
kabels, skeletten van
een fiets, verroeste teugels
en laatst het beeld van een engelen
vrouw zonder vleugels
Vaes wist, als hij haar harde boezem voelde
wat hij met die vrouw niet krijgen kon
zijn handen op de maan, zijn lippen
op de zon, waar de heuvel uit ziet
over de weg begroef hij haar voeten
secuur in het zand
zij strekt haar hand nu uit
naar de razende beesten
beneden, voort vluchtige geesten
van nog niet gestorvenen
Verbeten de credo’s
Verbeten de credo’s, verwaterde passies.
Verworpen de dogma’s, verzwegen de schuld.
Vermoord is de onschuld, beschaamd het vertrouwen.
Verspild is het water, profaan de confessie.
Verzaakt de communie, ons eigenste bloed.
Verhaspeld de kavels, verschrompeld het land.
Verdorven het aanschijn, ons eigenste volk.
Verkorven de welvaart, voor zie in de droogte.
Drink van mijn woorden, graaf naar de bron
Het ooft aan de bomen, het zout van de aarde.
Het paard voor de wagen, de schamele oogst.
Schraal is de troost, bitter het aanzicht.
Niets is zo zielig, en niets is bestand.
Vergeefs is de franje, en ijdel het leven.
Vermom je verlangens, kies wie je gade.
Weer af het onheil, spot met de waan.
De mens is een dier, het monster de mensen.
De hemel is eindig, de aarde is rond.
Bid de verwoester, smeek tot de Almacht
Kus me mijn min, vergeef me de onmin.
Verzegel je lippen, verbrand al mijn brieven.
Vergeet wie ik lief had, vertel wie ik was.
Dans op het altaar, kniel voor het toeval.
Niets is te dol, en niets is voorhanden.
Genade is nakend, en nu nog het naakt.
Blinder dan voorheen
‘
De straat was een belediging van de waarheid van de toekomst
.’
Don Delillo, Megapolis
Niet hun daden. Niet het moorden. Niet het afschieten
van een voor wild gehouden mens. Niet het doorsnijden
van een keel. Niet het door steken van een h
art
niet het ontsteken van een bom in Brussel
maar de woorden die men aanhief
met het geheven vingertje
“
Jullie allen zijn de volgenden, zullen bloeden
branden in Zijn naam
”
daar mee bereikten ze hun doel
joegen ze de schrik om onze lijven
zetten ze in verre of nabije straten
de fik in onze lijken. Werd hun pathologie
van wraak ook onze werkelijkheid
werd hun blinde toorn
het Oog van A.
De parel
Vind het vele
in het ene
tref de eenheid
in het al
zoek haar waarheid
in den vreemde
vind haar schoonheid
in getal
snuif de geur op
van haar bloesem
scheid het bitter
van haar gal
boor een gat
tot in haar wezen
proef de smaken
van verval
slurp haar droesem
leer haar kezen
wees haar belager
en vazal
zoek het Hoge in haar lage
schiet de Aegis uit haar stal
splits haar kern en laat haar
beven, lik de parel op
de bodem van haar
dal