DEN BRABANDER, Gerard


De holle man IV

Ik, kleine slaaf van poëzie en taal,

mij was ter borst de eerste melk al schraal.

Zó droef, zó dun klonk 't moedermonds verhaal,

waar het kanon in doorklonk van Transvaal,

en zó vol tranen was het kleine lied

van bruut verraad en simpel boers verdriet,

dat, wat mij voedde, woord en melk en brood,

dit ál doortrokken was van dood en dood.


De holle man VI


Daar scheert door de verlatenheid der eeuw

een zwerm van angsten en een hese schreeuw

kantelt gerafeld neder op de ruin,

die blind en briesend op het brokklig puin

van de ingestorte dag staat in de tuin.

Hij schudt de flarden hemel uit zijn haar,

klauwt de gevallen sterren uit elkaar

en maalt de zonnen tot een vuurgruis klein.

In hem verenigt heel 't heelal zijn pijn

en alle marteling van moord en muiter.

Hij spert de muil en, in een bloedfontein,

verstikt de kreet naar de verloren ruiter.


De holle man IX


Blaas op je dode maat de doedelzak,

speel xylofoon op het skelet der vrinden.

De hemel viel, de hel is onder dak

op 't bal-champêtre van de bloedgezinden.


Tooi met gevallen sterren 't rode frak,

drink uit haar schedel 't bloed van je beminde.

De oude zon hangt dronken aan een tak,

de maan blaast jazz op de gebarsten winden.


Daar danst de duivel met de diplomaat,

beuk nú je ribben met een handgranaat,

er heeft geen dans zó schoon naar dood geklonken.


Blaas nú de doedel op je dode maat,

blaas, tot het bloedbeest, moegedanst en dronken,

op alle einders breed ligt uit te ronken.


De stenen minnaar I

Ik ben de vrucht van dit vijandig paren,

verstoten, door geen sterveling beweend,

stolde mijn blik tot dit gramstorig staren

en is dit lichaam tot een berg versteend.

Zo is mijn bloedvat alle vuur ontvaren.

De laatste smart, die in mijn hersens weent,

schreeuwt uit de moordlust van de adelaren,

die het onnozel lam scheurt van ’t gebeent’.

Een standbeeld aan de sombre randgemeente

der hel, waar een verholen vloeken mokt,

sta ik met eeuwen kou in het gebeente

en om het hoofd een grijze wolk, die wrokt,

en ben geen mens meer, maar alleen gesteente

en wordt door smart noch blijdschap meer geschokt.


De stenen minnaar VII


O harde mond, die stuurs zijn grijnslach teelt

en korzelig in mergels weet te spreken;

die met de kou en met graniet krakeelt

en nimmer aan een lente zijt bezweken,


tracht nú in helder zingen uit te breken

en liefkoos haar met liedren, hoog gekeeld,

wier glimlach, heerlijker dan hemelstreken,

met één zoet weerlicht levens vierendeelt.


Zing, harde mond, bezing dit broze leven,

dat u geboren werd uit barnsteenbruin,


bezweer dit beeld, dat het u niet begeve,

en berg het in uw borstkas van arduin,


opdat het, in dit bronzen lied gedreven,

onsterflijk zij... Zing, zing uzelf tot puin.


De stenen minnaar VIII


Dichters moeten de minnaars uit zich weren

willen zij naakt gelijk de goden zijn.

Waarom dan, hart, dit mateloos begeren

naar alle naaktheid, geborneerd en klein,


en waarom zijn onsterflijkheid bezeren

aan deze beten van het bot venijn,

wanneer de liefde slechts dit klein creperen

de bestie is achter ‘t bedgordijn?


Hijg dus, o hart, uw sterflijkheid te buiten,

gij , die uit de pijn het bovenaardse koos,


eens zal uw mond zich als gesteente sluiten

in d’eenzaamheid van wind en waterhoos,


maar, wie hem kust, zal er op leven stuiten:

diep in zijn barsten hurkt de wilde roos.


Lied

Wanneer ik loop danst in mijn vlees

de dode boom van mijn skelet.

Wie schiep naar zijn bizarre wet

mij deze dood in eigen vlees?

Hef ik het hoofd, zingt scherp gewet,

zingt wars van dood en wars van vrees

het drieste lied van bloed en vlees

en parelt over dood en wet

en zingt van deze dode boom

met blinde keel de kleine vreugd

van droombeest aan de oeverzoom,

van duiker in de waterdeugd

en zingt verblind van drift en jeugd

en droom.


Nocturne

Wuft de handschoen; wuft het klein gebaar;

wulps de mond en ’t licht in d’ ogekieren;

wolvenbeet de bont om ’t blonde haar:

vrouwen zijn de wonderlijkste dieren…

Bidt de mond de appelbeet te vieren;

wijkt de blik te wimper voor gevaar;

waait de scheemring over lustrivieren;

wenkt het lied over de nachtgitaar;

beeft het woud onder de roep der stieren;

wiegt de slang — de melodie gewaar —

weiflend over spleten zich en wieren:

schrijft de vleermuis met nerveuze zwieren

mij de wil voor van de tovenaar,

die ik met een schreeuw in u ervaar.


Eenzaamheid


Niemand, die eenzaam is, is ooit alleen.

De eenzaamheid begint als men gaat paren:

Dan breekt de tijd aan en men telt in jaren

de lege leegte van zijn leven af

en, steeds maar tellend, valt men in het graf.

Zij is de lente, en zij weet het niet;

ze rijpt tot herfst, en zij beseft het niet.

Zij gaat voorbij, en is er niet geweest...

Zij is onvatbaar, want alleen maar geest.


Aftands


Aftands door de parken wandlen

met de te vette hond

te denken niet en te handlen

met de verzakte mond

woorden die al verlammen

tegen de vogels zwammen

de stok en het pensioen

de late vlam der pioen

de bloedpols niet meer te vrezen

afzijdig de kranten lezen

de krijg en de vreemde ramp

zich verre verhalen maken

de poolzee het tafellaken

op de einder de lage lamp

vijandige schotsen de borden

de vorken de vikings de horden

overvallen het witte kamp

Nova Zembla het vreemde land

vreemd en ver de vergeelde hand

aan de dampende soepterrien…

Wie noemde dit eens Katrien?


Ziekenbezoek

Nu weet ik nauwelijks meer wat ik hier moet.

Ik sta hier met een pover zakje vruchten

en overweeg of ik nog zal ontvluchten:

het riekt zo wee naar chloroform en bloed.

Daar wikt een burrie met onhoorbre spoed.

Een deur ontkent hardnekkig doodsgeruchten.

O moederlief, hier, in een poel van zuchten,

vind ik u weer en weet niet wie ik groet.

Gij ziet zo moe, zo wit, zo overwonnen;

het daglicht kleeft zo geel en zo geronnen

op dit verziekt en klamme middaguur.

De dood gaat peinzend om van buur tot buur

of plukt verstrooid de schilfers van de muur,

maar heeft zich op zijn keuze reeds bezonnen.


Omdat ik weten wou waar Sally zat


Omdat ik weten wou waar Sally zat,
zwierf ik erheen en vond er vrouw noch kind.

Venijnig danste en pijpte er de wind

en sloeg een roffel op het vuilnisvat.


En voor het huis, dat zelfs geen tranen had,

alleen maar huiverde tot op ’t gebint’,

zag ik door lege kamers over ’t grind

van de achtertuin een trage, klamme rat.


Toen keek ineens de zon op. Koud en stug

rustte haar blik op mij en op de stad.


De wind sprong mij uitdagend op de rug

en hield mij sarrend bij het haar gevat


en vocht mij voort over de Magere Brug,

omdat ik weten wou waar Sally zat.


Soldaat 1812


Zo onverwacht is hij gerijpt. Het bier

heft hij verrukt voor 't aangezicht der snollen.

Hij laat het lot over de stenen tollen,

want aan zijn zijde hangt het slank rapier.


Een moedig man. Een ónderofficier.

Maar, bij het heffen van al weer een volle,

rijst in de spiegel uit de rook de holle

blik van een kind en vraagt: Wat doe je hier?


Een vreemde vrouw, een kroes, een kinderhand;

een verre keizer, een ver vaderland

en kleine kindren in te grote jassen.


Gister een jongen en vandaag volwassen,

een Russendwinger en een doem der rassen:

Vive l'empereur! Eén werelddeel! Eén land!