THEYS, Jot



Een mens


Toen hij geboren werd, woog hij drie kilo,

met vijftien maanden liep hij al vanzelf

en toen hij drie was, ging hij naar de fröbel,

van zes jaar naar de laagre school tot elf.


Hij deed toen zijn plechtige kommunie,

hij had op school steeds zeventig procent;

zijn leraars waren over hem tevreden,

hij diende in een linieregiment.


Hij trouwde met zijn vijfentwintig,

de voornaam van zijn vrouw was Jeanne,

ze kregen eerst een zoon en dan een dochter,

zij heette Mia en de jongen Jan.


Hij maakte tamelijk goed carrière,

met vijfenzestig ging hij op pensioen,

toen zette hij zich wat aan ’t schildren,

hij stierf bij ’t wisselen van ’t seizoen


Hij kreeg een grafsteen met een kruis op,

dat was altijd zijn hartewens,

daarop staat: requiscat in pace,

bid voor zijn ziel, hier ligt een mens.



Verfransing


Ze waren blij toen dochterlief

met zo een nette jongen thuiskwam

en blij omdat hun hartendief

zich niet zo’n vreemde luis nam

waarvan ’t in Brussel zwart zag

van Haren tot de Boulevard Anspach.


Zij vonden ’t erg dat hij geen Vlaams

maar enkel en alleen z’n Frans sprak,

maar hij was toch van goede wil,

waarvoor zij dus een lans brak:

‘hij heeft beloofd ‘t te zullen leren.’

Als wij van u mogen verkeren.’

Het was dus goed en hij kwam thuis,

zat iedere zondag bij aan tafel.

Het onderling begrip was goed

want hij hield meestendeels zijn wafel.

Als hij ‘pardon’ ofwel ‘merci’ zei,

Klonk hij zo Vlaams als ik en jij.

Ze trouwden en hun faire-part

die was compleet tweetalig:

le jeune couple – ’t jonge paar,

ze hadden ’t samen zalig,

zozeer dat er ook kinders kwamen

hun leven te veraangenamen.

De ouders waren zo dolblij,

de grootjes nog veel blijer

om ‘t jengelende nageslacht,

al maakte ’t hen niet vrijer:

de dochter werkte als typiste,

zij legden droog als ’t jochie piste.

Maar toen het kind naar school toe ging,

was dat natuurlijk niet meer nodig.

Wat werd hij flink dat lieve ding,

de grootjes werden overbodig,

tenzij wanneer zijn va- en moeder

uit wilden gaan zonder dat loeder.


Op zo een keer ontdekten zij

tot hun verbouwereerdheid

en met een stille razernij

de mate van vervreemdheid

waarin zij almeteens verkeerden

met hem die zij het schoon-zijn leerden.


Want nu dat kind de school begon,

nu kwamen zij tot de ontdekking,

dat hij niet met hen praten kon,

want sedert z’n verwekking

was hij door ’t Frans omgeven.

ze waren beter kinderloos gebleven.