WERFEL, Franz



Kleines Requiem


Keiner weiß, wie arm er ist,

Wird er in dem knappen Schrägen

Fußvoran treppab getragen,

Durch den blumendumpfen Flur.

Manche, die mit schwarzem Schreiten

Schmerzhaft ihn zu Grab geleiten,

Schauen heimlich auf die Uhr.

Keiner weiß, wie arm er ist.


Keiner weiß, wie reich er ist.

Wer von Tag zu Tag geflogen,

Hat gesammelt, hat gesogen

Ahnungslos der Stunden Seim.

Und nun trägt er traute Lasten,

Wachs und Honig des Erfaßten

Zu den Bienenstöcken heim.

Keiner weiß, wie reich er ist.



Klein Requiem


Niemand weet hoe arm hij is,

hij die in de smalle schuine gang

voeten vooruit de trap wordt afgedragen

door de hal met geur van bloembehang.

Sommigen, die in het zwart schrijden,

hem smartelijk naar het graf geleiden,

kijken stiekem op de klok.

Niemand weet hoe arm hij is.


Niemand weet hoe rijk hij is,

hij die van dag tot dag heeft gevlogen,

heeft verzameld, heeft gezogen

onbewust de nectar der uren.

En nu draagt hij een vertrouwde last,

de was en honing die zijn verworven,

terug naar huis, naar de bijenkorven.

Niemand weet hoe rijk hij is.


Vertaling: Z. DE MEESTER