WESTERA, Bette



Overal en nergens


Ik ruik je in de linde,

ik ruik je in de rozen.

Ik ruik je in kamille,

in jasmijn en in frambozen.

Ik ruik je in het fluitenkruid

en in de berenklauw.

Overal en nergens ruik ik jou.


Ik proef je in de pruimen,

ik proef je in de bessen.

Ik proef je in de bron

als ik mijn dorst probeer te lessen.

Ik proef je in de druiven,

ik proef je in de dauw.

Overal en nergens proef ik jou.


Ik hoor je in de branding,

ik hoor je in de meeuwen.

Ik hoor je in hun vleugelslag,

ik hoor je als ze schreeuwen.

Ik hoor je in de leeuwerik,

de merel en de kauw.

Overal en nergens hoor ik jou.


Ik voel je in de hagel,

ik voel je in de regen.

Ik voel je in het briesje

dat de blaadjes laat bewegen.

Ik voel je in de warmte,

ik voel je in de kou.

Overal en nergens voel ik jou.


Ik zie je in de beken,

ik zie je in de stenen.

Ik zie je in een berg

die door het maanlicht wordt beschenen.

Ik zie je in de hemel,

in het grijs en in het blauw.

Overal en nergens zie ik jou.



Ik vind je zo mooi


Ik vind je zo mooi als de wolken

Ik vind je zo mooi als het strand

Zo mooi als een vis in het water

Zo mooi als een schelp in het zand


Ik vind je zo mooi als de bomen

Zo mooi als de bloeiende hei

Zo mooi als het rood van de rozen

Zo mooi als de merel in mei

Ik vind je zo mooi als de vlinders

Zo mooi als de zwaan op de plas

Ik vind je zo mooi als het water

Ik vind je zo mooi als het gras


Ik vind je zo mooi als sterren

Zo mooi als de maan in de gracht

Ik vind je zo mooi als de avond

Ik vind je zo mooi als de nacht


Verdriet

Verdriet voelt als een oude jas

Een warme jas, een koude jas

Een lege jas, een jas van jou

Met mottengaatjes in de mouw

Met zakken vol herinnering

De jas die rond jouw schouders hing

Verdriet heeft zeven knopen

ik doe ze dicht en open

ik kruip erin, in het verdriet

ik zoek je, maar ik vind je niet

Daar aan de kapstok naast de deur

hangt nog jouw zo vertrouwde geur

hangt nog de warme, koude jas

van jou toen jij nog bij me was