GEERTS, Jan



Sneeuw


Ik zet het donker op een kier en laat de sneeuw
hemelsbreed de kamer binnen. Het is nacht.
De vloer is naakt en fluistert onder mijn voeten.
De lucht is van glas. Behoedzaam raap ik
de scherven op nog voor er iets gevallen is.


De slaap die ik niet kan vatten heeft de
vorm van je lichaam aangenomen.
Mijn hand hangt stil. Een vogel twijfelt
boven het landschap. Ik schuif de gordijnen
dicht en hoop dat alles weer in de plooi valt



///////////////////////////////////////


neem mij, zei ze, en hou me
bij, sluit me op in je wildste
dromen, bewaar me tot
bloedens toe en laat me
je niet ontkomen, waarheen
jij ook gaat, blijf hier, neem
me en eet van mijn geluk
het houdt je niet voor mogelijk
bijt je tanden stuk voor stuk
sla mij in je gedachten
neem mij helemaal
of neem mij niet


////////////////////////////////////////


doe het licht maar uit, zeg je
en het is nacht, ook al zullen
de dagen nooit ophouden


laten we het uitpraten, zeg je
en het is stil, stiller dan we de wereld
voor mogelijk hielden en wij


verder weg dan ooit, nooit
liegt het donker, iets bestaat maar
als je het vindt, dus vind mij


je moet maar kijken en ik bloed al
je moet maar luisteren en het begint
te regenen tot ook de regen stopt

je hand is al voorbij nog voor ze me aanraakt
we zijn zoekgeraakt, vergeten
hoe eenvoudig twee mensen kunnen zijn