VANHAUWAERT, Maud




Welaan dan, laat de stilte in u galmen

een koor uit u kiemen, eer uw ouden van dagen

en zij zullen voor u pralen, in onverlichte nissen


Liggen mijn geheimen verscholen

in meesterlijke drieluiken ga ik voor u open

laat mij midscheeps met verstomming slaan


Schrijf deze oude lieve vrouw niet af

al hang ik aan katheters, aarzel niet

vooral ik nu haper


……………….nader



De geluidsinstallatie


Ik was onlangs op de begrafenis van een vrouw en nadien ontmoette ik haar man, en die zei mij dat hij het zo verschrikkelijk vond van de geluidsinstallatie. Ik wist eerst niet goed wat hij bedoelde, maar later begreep ik het, en als ik er nu aan terugdenk, dan geloof ik dat dat nog het allerdroevigste was: dat de geluidsinstallatie.


Dat zij daar lag, dat de kerk vol, dat er heel veel bloemen,

en dat de geluidsinstallatie.

Dat zij daar lag, dat de kerk vol,

dat er iemand was die speciaal uit Duitsland - dat hoorde ik later,

dat de broeken netjes gestreken,

dat haar zoon voorde gelegenheid zelfs nieuwe schoenen,

dat er heel veel bloemen.

en dat de geluidsinstallatie.

Dat zij daar lag, dat de kerk vol, dat er heel veel bloemen,

dat er kaartjes, een hele mand vol,

dat zij van overal mensen, dat zij nog veel ie jong,

dat haar dochters, dat haar zoon, dat haar man, alleen nu,

dat zij daar lag, stil en gestrekt, dat ik achteraan in de kerk - ik had haar

nooit gekend.

en dat de geluidsinstallatie.

Dat zij daar lag, dat de kerk vol, dat er heel veel bloemen,

dat de zijbeuken vol, dat er wierook,

dat de priester ermee zwaaide,

dat hij zei dat zij nu net zoals die wierook

naar de hemel zou kringelen.

Dat ik dacht: naar de hemel kringelende wierook

is werkelijk de slechtste metafoor

voor een overleden moeder.

Dat iedereen dacht: wat als mijn moeder ooit,

wat als jij ooit, als de kerk vol, dat als er heel veel bloemen,

dat dan op zijn minst de geluidsinstallatie.

Dat zij nog maandenlang naar de passende muziek - dat hoorde ik later,

dat de broeken, dat de bloemen, dat de kaartjes, dat op haar kist een portret,

dat ik achteraan in de kerk.

en dat ik dacht: dat wij de dood niet, tot daar aan toe,

maar dat wij niet eens de geluidsinstallatie!

Dat ik naar huis reed en dat dat het enige was waar ik nog aan dacht:

dat als mijn moeder ooit, dat als jij ooit, dat als de kerk vol, dat als er heel

veel bloemen.

dat ik zal zorgen

dat op zijn minst de geluidsinstallatie prima.

Perfect.



Wij zijn evenwijdig


Er komt een vrouw naar mij toe. Ze zegt

‘wij zijn evenwijdig, raken elkaar in het

oneindige, laten we rennen’_


Zullen we wachten? Zullen we wachten

tot de kinderen groot zijn en de aardbeien

rood, ze zijn te bleek nog, te klein, te hard.

Zullen we wachten tot de avond valt

en de nacht waarover wij nog een keer

willen slapen _


Ze haakt haar arm in de mijne tot een lemniscaat _


Zullen we wachten op een eerste stap

zo reusachtig dat je makkelijk een tent

tussen onze benen spant

waarin nieuwe kinderen kamperen,

aardbeien rijpen en niemand nog buiten

de zomer kan _


En we rennen. Met onze armen

zwaaien wij een maat die bij ons past _



Stadsgedicht


ik heb ze nodig de dichters

de levende en de dode

om hun verzen te knopen aan elkaar

tot een prikkeldraad waar de dood

niet overheen kan

je kan er niet mee naar de oorlog

bovenal leven zij in hun verwaaide

hoofden struikelen al over een komma

dwalend onder het blauwe licht van

verlegen lantaarns

het eb is mijn lichaam

en de leegte zo groot maar zo

onaanzienlijk groot maar zo

onaanzienlijk

maar zo