MEEKERS, Mark


Schildersverdriet

weer schildert hij met het laatste grijs

van zijn adem een afgeleefd landschap.

bomen, ziek en moe van zoveel licht

te dragen. de ogen wondkorsten. klap


rozen het zwijgen opgelegd. het penseel

verliest zijn wilde haren, wordt kaler

met de dag. uit belegen tubes een vijver

geknepen. verschaald water grauw als


gietijzer, de horizon muurvast, geen kans

erover te kijken, daarboven een zon

zoals enkel een gestigmatiseerde hand

ze weergeven kan. wie niet door vergaan


getekend is, verdient de schoonheid niet.

zijn enig verweer tegen de genadeklap,

de kleine eeuwigheid op mensenmaat.

en toch, wanhoop doet soms wonderen.



Namiddag in Pompei


Hun geoliede lichamen geuren in de zon

als bruutweg een schaduw hen overvalt.

de waakhond in de mozaïekvloer springt op,

het ruiterstandbeeld breekt de poten.


het zingen van de fontein stokt

in de bronzen keel van de faun

ze lachen als was het een misplaatste

farce van een dronken sater, vluchten


door de wild brandende deurstijlen

tussen de wijnkruiken in de kelder,

waar Bacchus hen onder zijn hoede neemt.

Ze leggen zich in elkaar te vinden


verstijven en verstenen wang aan wang.

het daglicht valt in sintels uiteen.

een duisternis van twintig eeuwen

dekt hun omhelzing met puimsteen toe.