DE CORT, Frans


Mijn lief is als de rode roos


(naar Robert Burns)

Mijn lief is als de rode roos

de knoppe vers ontsprongen;

mijn lief is als de melodie

bij snarenspel gezongen.


Ik min u met mijn hart, schoon lief,

zo teer als met mijne ogen

ge blijft mij dier totdat de zon

de zeeën zal verdrogen.


Totdat de rotsen smelten in

de gloed der zonnestralen -

beminnen zal ik u zolang

als ik zal ademhalen.


Vaarwel, zoet lief, mijn enig lief!

nu moet ik henen ijlen -

ik kere weer, al scheiden ons

tienduizend lange mijlen!


Mijn moedertaal, mijn moedertaal.

Mijn moedertaal, mijn moedertaal.
Wat andre komt daarnevens!
zwaardgekletter, klokkenklank,
snarenspel en minnezang
o mijn Neerlands, ja mijn Neerlands
dat alles zijt gij tevens!

Mijn moedertaal is de schoonste taal.
En zou ze 't ook niet wezen,
haar verkiezen zou ik nog,
want ze is de mijne toch!
O mijn Neerlands, ja mijn Neerlands,
wees eeuwig mij geprezen.

Mijn moedertaal, mijn moedertaal.
Wie of haar ook kleinere
min ik als mijn vaderland,
sta ik voor met hand en tand!
O mijn Neerlands, ja mijn Neerlands
dat hou ik steeds in ere!


Zo gij mijn lief wil zijn!


Ik min u, och bemin me weer,

En seffens leg ik al de schatten,

Die aarde, zee en lucht bevatten,

Aan uwe voeten neer!

Wat uwe dromen u voorspelden,

Wat u der Hope zangen meldden:

Dat alles ja is uw en mijn,

Zo gij mijn lief wilt zijn!


Langs bloemenwegen zult gij treên,

En zoetere geuren zullen walmen,

En zoetere zangen zullen galmen

In 't veld, dan ooit voorheen;

De zon zal eens zo helder glanzen

Aan immer blauwe hemeltransen,

En eeuwige lente is uw en mijn,

Zo gij mijn lief wilt zijn!


Wanneer gij mij beziet


Me koesteren in de stralen

der gulden lentezon:

de eerste prijs behalen

bij ‘t schieten naar de ton;

met boerenmeiden dansen

en tuimelen over ‘t gras:

mij met de rook omkransen

van echte varinas.


Dat al, rechtuit gesproken,

haalt bij de wellust niet,

die gij verwekt, Katoke,

wanneer ge mij beziet!


De vogels horen kwelen

van minnevreugde of pijn;

de vrienden poetsen spelen,

die fijn en grappig zijn;

al zingende vergeten

de kwaal, waaraan ik lij;

gestoofde kolen eten

met runderworst daarbij.


Dat al, rechtuit gesproken,

haalt bij de wellust niet,

die gij verwekt, Katoke,

wanneer ge mij beziet!


De bloemekes zien drinken

de dauw, verfrissend nat;

de beiaard horen klinken,

als ‘t feest is in de stad;

een maagdelijn betrappen

in Eva’s kuis gewaad:

mijn leger binnenstappen,

als ‘t uur der spoken slaat.


Dat al, rechtuit gesproken,

haalt bij de wellust niet,

die gij verwekt, Katoke,

wanneer ge mij beziet!


De spin in hare webben

zien dartelen op en neer;

een regenscherrem

hebben bij dito-achtig weer;

onchristene wijnen proeven,

‘t is eender waar vandaan;

bij ‘t kaarten al de troeven

met kracht op tafel slaan.


Dat al, rechtuit gesproken,

haalt bij de wellust niet,

die gij verwekt, Katoke,

wanneer ge mij beziet!


M'n kin en wangen scheren

met blinkend Engels staal;

soldaten zien marcheren,

vooraan hun generaal;

uit enge laarzen springen

in sloffen wijd en breed;

en duizend andere dingen.

die ‘k inderhaast vergeet.


Dat al, rechtuit gesproken,

haalt bij de wellust niet,

die gij verwekt, Katoke,

wanneer ge mij beziet!



Mahomeds hemel


Ik heb de koran nooit gelezen,

maar iemand heeft mij uitgelegd

hetgeen hij van de hemel zegt,

en zie, Mahomedaan te wezen,

dat is toch waarlijk niet zo slecht.


Een hemel, waar ze wierook branden,

en psalmen zingen in 't Latijn,

hoe heerlijk die de Christen schijn',

doet mij volstrekt niet watertanden,

en moet al fel vervelend zijn.


Maar 't paradijs der Ottomannen,

dat is een hemel die mij gaat!

daar wordt gelachen en gepraat,

daar drinkt men wijn uit gouden kannen,

en koost en kust men vroeg en laat!


Doch hoef ik dáár belet te vragen,

Sofie, opdat ik zalig zij?

Niet één hoeri is als gij

zo schoon, o zonne mijner dagen,

en kussend schenkt ge nectar mij.