LANDHEER, Jo
Weer zie ik u
Weer zie ik u zoals wij samen gingen,
Die middag na de regen, toen bewaasde
Sluiers nog om de doffe beuken hingen,
Naar 't dampig weiland waar de paarden graasden.
Blaren, nog lekkende van verse droppen,
Hieldt gij behoedzaam in uw teng’re handen;
Gij streelde zacht de speelse paardekoppen,
En alzijds om u stil de wijde landen.
Toen straalde opeens de zon op gras en lover:
Van wild geluk vloeide mijn vol hart over.
Bekentenis
Lang heb ik midden in het bos geleefd,
Alleen met bomen en met schuwe dieren,
Wilde konijntjes hield ik in mijn hand.
‘k Zag herten drinken in de avonduren.
Een geur van mos was aan mijn huid, en hei.
Vreemde verrukkingen trilden in mij,
Diep en geheim, waar mensen niet van weten.
Soms sprak ik iemand, maar ik zei niet veel.
De woorden kwamen moeilijk door mijn keel:
‘k Begon de mensentaal al te vergeten.
De verlatenen
Die met ons in dezelfde kamers woonden,
En met ons samen waren dag en nacht,
-Hun wangen waren zacht en warm aan de onze –
Zijn nu voor altijd van ons weggebracht.
Zij liggen ergens in de grond verborgen,
Gesloten in een smalle kist van hout,
Hun mond werd star, het bloed stolde in hun ogen,
Stijf zijn hun vingers en als steen zo koud.
Wij leven verder, lachen weer en praten.
Wie van ons beiden zijn het meest verlaten?
De moerbeiboom
De moerbeiboom is niet als andre bomen,
Die vroeg ontluiken in het lentelicht.
Als overal knoppen en bloesems komen,
Blijven alleen zijn takken stil en dicht.
Het is of hij de milde zon niet voelt,
En niet hoe lenteregen hem bespoelt.
Hij lijkt te stroef, te eenzaam om te bloeien.
En toch zwelt teder leven in dien stam.
Daar komen langzaam stugge blaren van,
Waaronder langzaam donkre vruchten groeien.
Dit is het bitterste op aarde
Dit is het bitterste op aarde: 't leed,
Dat we onze doden deden bij hun leven.
In slapeloze nachten keert het weer
En dof aansuizend op de nachtwind beven
Krenkende woorden, achteloos gezegd.
En tedere, die ongesproken bleven.
De gek
Ze hadden hem weer nageschreeuwd,
Met stenen en met vuil gesmeten.
Zijn ogen in het wit gezicht
Waren twee doffe, weggezonken spleten.
Hij liep gedoken als een moede vogel
Langs de haven, waar de vissers stonden.
Daar schuw voorbij. Voor hem lag grauw en wijd
De zee en fluisterde als uit duizend monden.
Hij hief het hoofd en leek te luistren even.
Toen verdween zijn schaamle gestalte in de regen,
Moeizaam schuifelend, gebogen tegen
De wind.
Maar even later kwam hij terug van 't strand,
Een kleine zeester in zijn open hand,
En lachte stil als een gelukkig kind.