ESTOR, Annemarie


Het overschot


Ik geloof,

ik geloof,

ik geloof in de klapwiekende uitbraak

van het verdrukte verlangen.


Ik geloof

in een welige ravage

en in stuifmeel overal.


Ik geloof in de vruchtmaand

die komt

in dit hooibroeiland.

…..

En ik geloof

— —in zijn wrede nieuwluchterij,

— —in zijn zoete kleefvingerige walm

— —die me mee zal sleuren

—– naar de grommelige diepten

— –onder mijn gewone rechte bed

—– en onder mijn droombed,

—- onder de allerzachtste bedden voor de allertrieststen

—- – en onder alle voorouderbedden

— –met al hun praktische grappen,

—- vergeetsels voor verdriet,

—– naar een ruim in de kleur

—– van de brandstof van het duister

—- – waar niets vergeten zal worden,

—– waar alles zich op zal slaan

—- –in de vorm van de vaste stof liefde,

— een stof zonder normen,

—– zonder fatsoen,

—- –een stof waar geen mening in doordringt,

— –element in de tafel van het leven en dood.


Global Underground’


Ik ben gegaan.

Voorbij de Villersstraat,

voorbij de Verbrande Brug Noord.


Ergens hoorde ik tatoeëerders tatoeëren.

Ik zag een man met een zonnebril in een nachtclub.

Ik zag een man een mond vol witte vlokken kotsen.

Ik zag de pestmeesters.

Ik zag pijnlijke vrouwen op goedkope schoenen.

Ik zag mensen met opgehoopte vochten onder hun ogen.

Ik zag een vakkenvuller met een winkeldievenblik.


En ik zag feest.

Ik zag een fuivig en druizig festijn.


Een jongen met een kuif en een smile

nam me mee underground

waar glitterbollen, cocktails,

basterdvloeken en epileptische flitsers

jonkheden en speelduiven tot vernooide

onbesuistigheden explodeerden:

de wuftste teven, de meest fantastische loeriassen,

hun schaambenen gingen tegen gulpen,

wervelkolommen werden losgewerkt,

haardossen gevierd, er werd beestig getwist

met tietjes in topjes, koppels klommen in mekaar op

als langs lianen en geblondeerde koninginnen

dromden dwarsdrijvend rond spierkanonnen

in hun scheurende spaghettibandjes, ze kregen

maanvlekken op hun blote halzen,

hun rookmonden en brute dronkogen

dorstten naar fans en coolers,

en mijn hoornvlies barstte los

en al wat ik dacht te weten tolde

als een wemelende meute gigabytes,

microchips en glimwormen

door mijn ruw geopende breinvensters,

en nu wist ik zeker:

telkens als ik meende te leven in Orb

stuitte ik op Orb.

En Grout is geen Grout,

het is het is het dak van de Global Underground,

het zijn de kerkers waar connecties zich vermenigvuldigen,

de real-time clocks in overdrive,

waar een Nieuwe Komst wordt voorbereid!