VAN DEN BERGH, Herman



Hier is de stille jongen


Let op hier is de stille jongen

die geen woorden heeft om te vertellen

wat er gaande is in zijn brein

Tot op 't kale been van zijn schedel

hebben de scholen hem afgestript

de zang de muziek en de droom

die met de mensen van gister gingen


In hun plaats heeft hij slogans en hits

harde kleine haat lichte kleine vlaggen

en een hondenpenning dat men weet wie hij was

wanneer Morgen ontploft in zijn gezicht


Waarom zouden ze hem woorden geven

een glimlach een droom een kompas

en de laatste glans van de sterren

of alleen maar een reden tot sterven?


Het is niet waar


Het is niet waar dat een dode

is als een vaag en mateloos rijk

vol bevelen en vol gedruis


Dat hij ons onze bete benijdt

als wij zwijgend aan tafel gaan


Het is niet waar dat een dode is

bloed of melk in de nacht over ons


Niet hij lacht in de boom in de wind

als er geschreid wordt in het dorp


En niet hij is ’t die de schalen

vallen laat als men de schouders wendt

of die roet laat vallen op ’t vuur


En nimmer is het nimmer een dode

die ons de les leest uit lammerogen


Laten wij af er om te liegen

niets is zo dood als een dode is


- Maar het is waar dat de doden

over de aarde een stilte slaan

die is sterker dan iedere slaap



Nocturne


De maan roeit brandend
langs 't wolkenrif,
en 't bos is paars:
vergiftigd. -

Poel en half open pad
vol hete bramen,
fel en rond
in geur.

De vlakte, een fletse ruiker
en de lippen droog;
sterren vallen
als dauw.

Gestalten jagen woest:
saters in horden;
en hun grijze adem
is zichtbaar.

Nimfen, bloemwit
met groene haren,
vluchten in 't bos,
hijgend,

In de nevel de syrinx
en op onze mond,
week en dartel:
Pan’s fluit. -


Festijn

Meer wijn, meer wijn in onze schalen!

Dit is het eind, lief; drink! dit is

de dag die kampt met 't zwart der zalen

en schuifelt langs de dis.

 
Ondiep de nissen, wit de ruiten....

- het leven zingt al in de boom -

Drink, lief! - Handen, houdt 't leven buiten

rekt onze droom!

 
Tussen de pijlers, tussen de schoren,

kruipt het, kringelt het, armdik en vlot:

 Het leven wordt als slang geboren

 en sterft als god. -

 
Het wint! - O, dat wij vechten konden,

 O, om een strijd met dezen blink! -

 ....De vrees wordt droog op onze monden:

 drink, lief; drink!

 
- Wij zijn geslagen, wij zijn gebleven.

Het wint.... Zie, het is dag! - Welaan:

 dit is het eind, lief; dit is het leven;

 - Wij gaan!



Zon


Brand je paden in het koor’n,

midden door de stijve halmen,

midden door de stroeve walmen

die zich richten, rood van toorn!


Brand je stegen in mijn huis,

door de voegen uitgereten,

door de muren opgespleten

van die preutse pannenkluis!


Brand je wegen in de straat

dwars door ogen toegenepen,

dwars door vingers saamgeknepen,

van een dronken, domme staat!


Brand je banen door het bos

tussen schutterige stammen,

tussen zonneschuwe zwammen,

tussen heel die zwarte tros!


Brand je binnen in mijn hart:

zie! ik zet mijn borst al open

dat de gele stralen lopen

naar mijn hunkerende hart!



De kleine tuin


De kleine tuin, de hagen

van geuren en van zomer,

de hete roze en hoger

de zwarte notelaren.


en planten, met hun groeven

in weke zon gelegen

‘t zijn dingen van ‘t verleden

en kinderen van vroeger.


De maan drijft op het water

en in de blauwe vijver

en grote takken hijgen.

wanhopig en ontbladerd,


en grote wolken varen

langs uitgebloeide bomen

en langs de koude rozen

en langs de harde hagen,


en grote jaren joegen

met opgeheven handen

over de sterke planten

en over ‘t rijk van vroeger.


- Zo hebben de oude zomers,

de weg naar ons verloren.