TEISTER, Alain


Bijna rondeel


Wanneer zij mij dat vergunde,

heren, zou ik het liefst op rijm

kwaadspreken en mijn venijn

uitspuwen per bundel.

Haar uitschelden per kwatrijn,

een nijdas, een dichter zijn,

wanneer zij mij dat vergunde.

Maar zij eist de echte pijn:

hard schreeuwen. Rotmens. Lummel.

Slaan en bijten en bitter zijn.

Ik hield het op letterkunde

wanneer zij mij dat vergunde.


Zelfportret

Ik ben voornamelijk van geen belang.

Ik ben een zachte wang,

en ik ben mijn eigen lippen.

Meestal zonder gezang,

uitblinkend in knorgeluiden

voor enk'le fijne luiden

die mij ter harte gaan.

Ik ben meer kuiken dan haan.

En: ik ben mijn eigen lippen,

waarmee ik uit eigenbelang

mij kus op mijn eigenwang.


Correspondentie

Mijn zoon schreef: papa,

dat jullie gescheiden zijn vind ik niet erg,

of wel, maar ik ben er ook aan gewend,

ik ben bijna elf,

maar dat mama niet een keer gehuild heeft

nu jij in het ziekenhuis ligt, en dat ze steeds

‘eigen schuld’ zegt,

dat vind ik niet lekker, jij?

Ik telegrafeerde: jawel, eigen schuld

is goud waard stop drink een cola

op mijn gezondheid stop en stuur als je zin hebt

een leuke tekening stop.

Zo ken ik je weer, schreef hij terug. Dag papa.

In de envelop zat een kleurige

viltstift-tekening van een doodskop

stop.



Versvoeten


Elk dichtertje zingt

zoals het genekt is

door rotjeugd, rotwijf, rotinkt.

En hij is de eminentste

die tussen de brekebenen

zijn voeten het minst kapothinkt

en dat het bedroefdst formuleert.

Elk dichtertje zingt

vrij ongedeerd.