VAN DEN HOUT, Paul
De drinker
Zijn kop door het leven getekend,
zijn lijf door de drank aangetast,
zijn hand en zijn blik wat onvast,
zijn hersenen langzaam verwekend.
Geen vrouw die, haar hart voor hem brekend,
de drank nog verstopt in de kast,
zijn hap kookt, zijn overhemd wast,
hem thuis houdt - scheldend of smekend.
Toch smaakt hem de drank nog uitstekend;
raakt dáár aan de tap, op zijn kruk,
zijn wereldbeeld allengs vertekend,
zodat het uiteindelijk sprekend
gelijkt op een glazig geluk:
het breekt als hij af heeft gerekend.
Gradus de Parnasso
Ik ga de poëzie opgeven.
Pen, geest en fantasie zijn sleets,
en vrijwel ieder vers is reeds
thematisch eindeloos herschreven.
Drank, liefde, dood… ach, om het even
of Dante, Shakespeare, Blok of Yeats
(laat staan een Bellamy of Beets)
erdoor tot dichten is gedreven,
niets leer ik van het ware leven.
Dat na des dichters dood nog steeds
zijn naam op aarde rond blijft zweven,
– waarin hij ook mag zijn gebleven:
hartstilstand, Alzheimer of Aids –
ziedaar zijn enig, ijdel streven.
Illusoir
Natuurlijk, zoals ik het nu zie,
zat er niet echt een nieuw begin
voor u en mij, mevrouw, meer in
en scheidden wij opnieuw met ruzie.
Geen opzienbarende conclusie:
wie het, als ik, met zestig-min
weer aanlegt met zijn ex-vriendin,
wacht uiteraard een desillusie.
Toch denk ik steeds nog, als ik u zie
voorbijgaan, neusje in de wind:
‘Daar gaat ze weer, het lieve kind.
Ik wil, al kost het een contusie,
daar ik mijn hoofd wéér stoten zal,
mijn hart ophalen, dat zij stal.’