NEVELSTEEN, Max


Bodemvisser


De wijsheid vang je niet in boeken,

je moet op zoek in andere hoeken,

je gaat gejaagd langs miezerwegen

daar kom je enkel jezelf nog tegen.


En met het verglijden van de tijd

raak je allengs je aas dan kwijt,

je staat alleen en je wordt moe,

het doet er in de grond niet toe.



Lied van de Scheldezoon


Zijn trage hersenen ontwaken uit hun winterslaap,

hij, louter lentedichter, voelt zich een houten bal

verschopt op een vreemd veld, bekijkt van achter

beslagen vensterglas de stomme film van zijn leven

die hij als volleerd sneltreinzitter ziet voorbijrollen,

weet zich als een aangevallen engel steeds weer

schuldig, krijgt die koptelefoon met ruis niet afgezet.



Terug naar af


de dagen achterna gesneld,

de kegel van mijn huisverdriet splijt open.


De deur de deur van levenslicht

gaat tergend langzaam dicht.


Het is van horen dromen,

ik ga aan nieuwfatsoen kapot

en word gelijk een vreemde, verre zot.



Ode aan de asfaltjungle


Scheve schouwen van lege fabrieken

spuwen traag oranjewolken over dode kanaalrivieren,

stijve witteboorden, roeste robots zitten in kantoren.

Over gore werven, reuzensilo’s, huilen de sirenes

en braakt de wind.


Hoog, boven stalen wolkenkrabbers en kilometervreters

glijden vreemde zilvervogels naar verre belten.

Ach betonbeton,

o bleekgezicht, o helblauw licht!


gvd


Als de nacht dan valt met volle kracht,

kunnen de kinkels ons niet horen,

walsen gewetenkikkers onverwacht,

babbelt er water in doofmansoren.


Als de kerncentrale dan zedig zwijgt,

zeg me, waarom zijn we opgelaten?

Zijn we schijnheilig? Het land hijgt,

waarom voelen we ons zo verlaten?


Als onze handen dan lijken te bidden,

hebben we toch geleefd en grondig.

Lach maar, luitjes in het lege midden,

lach maar luid, gemeen, en zondig.



Lust


Ik verlang

je schokkende lichaam,

je frisse, rillende, malse billen,

je verborgen borsten,

met daarop je, kleine, verende tepels,

je zoekende, draaiende tong,

in en, uit de roos van je half geopende pruilmond.


Ik ben gek van paardrang,

gek van je helse cadans, je hete ritme.


Ik verlang

je slanke, bezige handen,

met daaraan je fijne, wroetende vingers,

Je natte kus, op de rooineus van mijn bleke zalm.